Ga verder naar de inhoud

KC10/26-0157

Fondée KC - Hasselt Commission des plaintes Disciplinaire
TUCHT - VERBODEN VOORWERPEN - VERBODEN SUBSTANTIES - MEERPERSOONSCEL - TOEREKENBAARHEID

Uit het verweer van de directie blijkt dat klager op een quatrocel verbleef. Zowel hij als zijn drie celgenoten hebben klacht ingediend tegen de tuchtbeslissing die ten aanzien van hen werd opgelegd. De vier celgenoten kregen een tuchtsanctie opgelegd wegens:

- het bezit van of de handel in door of krachtens de wet verboden voorwerpen of substanties, een tuchtinbreuk van eerste categorie,
- het bezit of gebruik van technologische middelen die onregelmatige communicatie met de buitenwereld mogelijk maken, een tuchtinbreuk van eerste categorie,
- het niet-naleven van de door het huishoudelijk reglement voorgeschreven bepalingen, een tuchtinbreuk van tweede categorie.

Als ten laste gelegde feiten wordt in de tuchtbeslissing slechts verwezen naar één rapport aan de directeur (RAD). De directeur nam kennis van het RAD en besliste om een tuchtprocedure op te starten. Het tuchtdossier bevat echter nog een RAD, opgemaakt voorafgaand aan de tuchtrechtelijke hoorzitting. De directie nam kennis van dit rapport en besliste om het rapport toe te voegen aan de lopende tuchtprocedure. Uit het tuchtdossier blijkt niet dat klager in kennis werd gesteld van deze uitbreiding, noch door een mededeling inzake de opstart van een tuchtprocedure, noch bij aanvang van de tuchtrechtelijke hoorzitting, zo blijkt uit het verslag. Nochtans is op grond van de Basiswet vereist dat indien de directeur meent dat de feiten een tuchtrechtelijk gevolg vereisen, de gedetineerde door afgifte van een formulier schriftelijk in kennis wordt gesteld van de tenlastelegging.

Hoewel op de eerste pagina van de tuchtbeslissing enkel wordt verwezen naar het eerste RAD, blijkt uit de motivering van de tuchtbeslissing dat de directie bij haar beoordeling ook rekening heeft gehouden met andere vaststellingen gelet op de vermelding van het aantal gevonden gsm’s, opladers en usbsticks dat niet overeenkomt met het RAD. De directie heeft zich ook gebaseerd op RAD’s die zijn opgemaakt op naam van de andere celgenoten van klager. Overigens wordt in de motivering van de tuchtbeslissing niet vermeld welke bepaling van het huishoudelijk reglement klager zou hebben geschonden. Deze tuchtrechtelijke inbreuk van tweede categorie kan enkel aan de gedetineerde ten laste worden gelegd als de overtreden ‘regel’ een regel betreft die ook daadwerkelijk een schriftelijke neerslag vindt in het huishoudelijk reglement. Deze tuchtinbreuk kan niet dienen als een soort van vangnetbepaling.

Los van deze onzorgvuldigheden, is er een fundamenteler probleem met deze tuchtbeslissing. Een gedetineerde kan alleen schuldig worden verklaard aan de hem ten laste gelegde tuchtrechtelijke inbreuk wanneer de directeur, op grond van al het bewijsmateriaal waarover hij beschikt, de ten laste gelegde feiten bewezen acht én de daarvoor ter verantwoording geroepen gedetineerde daaraan, schuldig acht. Dit artikel in de Basiswet is de uitdrukkelijke weerslag van het fundamenteel beginsel van het vermoeden van onschuld. Het houdt in dat eenieder tegen wie een tuchtvervolging is ingesteld, voor onschuldig wordt gehouden totdat zijn schuld in rechte is komen vast te staan. Hieruit volgt niet alleen dat op de tuchtoverheid de bewijslast rust van het bewezen zijn van het ten laste gelegde tuchtvergrijp, doch ook dat het tuchtfeit aan de tuchtrechtelijk vervolgde individueel kan worden toegerekend. Het belang hiervan vindt steun in de parlementaire voorbereiding bij de Basiswet waarin - naast onder meer het legaliteitsbeginsel, het non bis in idem-beginsel, het recht van verdediging - het verbod van collectieve straffen wordt aangehaald als één van de beginselen die een correcte toepassing van het tuchtrecht in het gevangeniswezen behoren te garanderen. De motivering van de bestreden beslissing bestaat in eerste instantie uit een opsomming van enkele voorwerpen die gevonden zijn in de cel waar klager verblijft samen met drie andere celgenoten, om vervolgens te stellen dat klager in se niet betwist dat die voorwerpen in de cel werden gevonden maar dat hij verklaard heeft dat niets daarvan van hem was. In de rest van de motivering stelt de directie nog waarom de gevonden voorwerpen een tuchtinbreuk uitmaken zonder dat zij in de motvering heeft uitgelegd waarom zij overtuigd is dat de opgesomde voorwerpen aan klager konden worden toegerekend. Op basis van welke elementen in de rapporten zij tot dit besluit is gekomen of wat haar oordeel was over de verklaring van klager zoals afgelegd tijdens de tuchtrechtelijke hoorzitting, blijkt niet uit deze motivering. Overigens blijkt uit de tuchtdossiers van de andere celgenoten dat alle vier de celgenoten zijn gesanctioneerd voor het bezit van alle opgesomde voorwerpen desondanks de bekentenis van één van de vier celgenoten. In het verweer van de directie wordt gesteld dat deze bekentenis ongeloofwaardig is doch dit oordeel van de directie blijkt niet uit het tuchtdossier, laat staan uit de motivering van de tuchtbeslissing. Bovendien is de klachtencommissie van oordeel dat er geen elementen in het tuchtdossier wijzen op een vermoeden dat één van de celgenoten de bekentenis heeft afgelegd onder druk van mogelijke represailles. De directie haalt in haar verweer tenslotte nog het tuchtregister van klager aan en poneert dat in de cel al eerder gsm’s werden gevonden om te besluiten dat alle celgenoten collectief verantwoordelijk waren voor de gevonden voorwerpen. De klachtencommissie brengt in herinnering dat tuchtrechtelijke antecedenten geen bewijselement zijn voor nieuwe tuchtinbreuken doch dat een tuchtregister enkel in rekening mag gebracht worden bij de toemeting van de sanctie.

De klachtencommissie besluit tot een schending van artikel 144, §6, tweede lid j° artikel 8 van de Basiswet. Om deze redenen is de klacht gegrond. De klachtencommissie vernietigt de tuchtbeslissing.