KC10/26-0036
Fondée
Irrecevable
KC - Hasselt
Commission des plaintes
Mesure d'ordre
ORDEMAATREGEL - BEZOEK - GEEN BESLISSING DIRECTEUR
Klaagster beklaagt zich over een ordemaatregel waarbij het intern bezoek tussen haar en haar echtgenoot geweigerd werd. In het voorliggend dossier werd door het klachtenbureau een ordemaatregel van 14 maart 2026 overgemaakt die werd opgemaakt op naam van de partner van klaagster (waarmee zij intern bezoek wenste). De klachtencommissie stelt vast dat klaagster reeds op 9 maart klacht indiende. Uit het verweer van de directie blijkt dat zij klaagster toen reeds mondeling had medegedeeld dat het onwaarschijnlijk was dat zij intern bezoek zou toestaan, maar dat klaagster en haar partner dit sowieso eerst via een rapportbriefje diende aan te vragen. De klachtencommissie meent dat het op basis van de klacht van klaagster aannemelijk is dat er ten aanzien van haar een ordemaatregel werd gecommuniceerd ten gevolge waarvan het intern bezoek met haar partner geweigerd werd. Aangezien hiervan door de directie géén schriftelijke beslissing kon worden bijgebracht (er kon enkel een ordemaatregel op naam van haar partner worden gevonden), werd deze in strijd met artikel 59, §3 Basiswet genomen. De klacht is gegrond. De bestreden beslissing wordt vernietigd. De gevolgen van de vernietigde beslissing kunnen niet meer ongedaan gemaakt worden (artikel 158, §4 Basiswet), aangezien de partner van klaagster zich sinds 12 mei 2026 niet langer in de inrichting bevindt. De klachtencommissie kent echter géén tegemoetkoming toe nu klaagster hier niets over vermeldde op haar klachtenformulier.
Klaagster sprak in haar klacht over een maatregel die haar zou zijn opgelegd naar aanleiding van de vondst van een colaflesje. Ze kruiste op het klachtenformulier zowel voorlopige maatregel als ordemaatregel aan, maar vermeldde daarbij geen datum van de beslissing. Het klachtenbureau liet weten dat er op 7 maart 2026 weliswaar een RAD werd opgesteld naar aanleiding van de vondst van het colaflesje, maar dat er geen tuchtprocedure werd opgestart. Ook een voorlopige maatregel werd niet aangetroffen in het dossier van klaagster. De klachtencommissie vindt het op basis van het schrijven van klaagster onvoldoende duidelijk tegen welke beslissing zij klacht wenst in te dienen. De klacht is niet-ontvankelijk. De klachtencommissie kan de klacht niet inhoudelijk beoordelen.
Klaagster beklaagt zich over een ordemaatregel waarbij het intern bezoek tussen haar en haar echtgenoot geweigerd werd. In het voorliggend dossier werd door het klachtenbureau een ordemaatregel van 14 maart 2026 overgemaakt die werd opgemaakt op naam van de partner van klaagster (waarmee zij intern bezoek wenste). De klachtencommissie stelt vast dat klaagster reeds op 9 maart klacht indiende. Uit het verweer van de directie blijkt dat zij klaagster toen reeds mondeling had medegedeeld dat het onwaarschijnlijk was dat zij intern bezoek zou toestaan, maar dat klaagster en haar partner dit sowieso eerst via een rapportbriefje diende aan te vragen. De klachtencommissie meent dat het op basis van de klacht van klaagster aannemelijk is dat er ten aanzien van haar een ordemaatregel werd gecommuniceerd ten gevolge waarvan het intern bezoek met haar partner geweigerd werd. Aangezien hiervan door de directie géén schriftelijke beslissing kon worden bijgebracht (er kon enkel een ordemaatregel op naam van haar partner worden gevonden), werd deze in strijd met artikel 59, §3 Basiswet genomen. De klacht is gegrond. De bestreden beslissing wordt vernietigd. De gevolgen van de vernietigde beslissing kunnen niet meer ongedaan gemaakt worden (artikel 158, §4 Basiswet), aangezien de partner van klaagster zich sinds 12 mei 2026 niet langer in de inrichting bevindt. De klachtencommissie kent echter géén tegemoetkoming toe nu klaagster hier niets over vermeldde op haar klachtenformulier.
Klaagster sprak in haar klacht over een maatregel die haar zou zijn opgelegd naar aanleiding van de vondst van een colaflesje. Ze kruiste op het klachtenformulier zowel voorlopige maatregel als ordemaatregel aan, maar vermeldde daarbij geen datum van de beslissing. Het klachtenbureau liet weten dat er op 7 maart 2026 weliswaar een RAD werd opgesteld naar aanleiding van de vondst van het colaflesje, maar dat er geen tuchtprocedure werd opgestart. Ook een voorlopige maatregel werd niet aangetroffen in het dossier van klaagster. De klachtencommissie vindt het op basis van het schrijven van klaagster onvoldoende duidelijk tegen welke beslissing zij klacht wenst in te dienen. De klacht is niet-ontvankelijk. De klachtencommissie kan de klacht niet inhoudelijk beoordelen.