Ga verder naar de inhoud

KC10/26-0031

Irrecevable KC - Hasselt Commission des plaintes Pas de décision du directeur Fouille à corps
GEEN BESLISSING DIRECTEUR - EXTERNE RECHTSPOSITIE - ARBEID - FOUILLE LICHAAM - TERMIJN

Klaagster beklaagt zich over het gegeven dat de directie niet langskomt om bepaalde papieren in orde te brengen. Klaagster heeft formulieren waarin staat dat ze onnodig in de gevangenis zit. In haar verweer haalt de directie aan dat dit handelt over de externe rechtspositie van klaagster, hetgeen de bevoegdheid van de klachtencommissie overstijgt. De klachtencommissie spreekt zich enkel uit over een beslissing of verzuim om een beslissing te nemen in het kader van de Basiswet en de daaruit voortvloeiende regelgeving, d.w.z. over de ‘interne rechtspositie’. Een klacht die handelt over de weigering om papieren in orde te brengen inzake de detentie van klaagster, kadert binnen de ‘externe rechtspositie’ van klaagster en valt daardoor buiten de bevoegdheid van de klachtencommissie. De klacht is niet-ontvankelijk.

Klaagster dient klacht in tegen het gebrek aan werk. Klaagster vermeldt dat ze ‘werk kreeg maar nergens mag beginnen’. De directeur staat in voor de toewijzing van de in de gevangenis beschikbare arbeid aan de gedetineerden die om arbeid verzocht hebben (artikel 84, §1 Basiswet). Indien de directeur klaagster geen arbeid toewijst, kan er aldus sprake zijn van een verzuim om een beslissing te nemen binnen een redelijke termijn. De klachtencommissie stelt vast dat klaagster niet vermeldt wanneer zij een aanvraag voor werk gedaan heeft en nergens verduidelijkt hoelang zij op het ogenblik van indiening van de klacht al wachtte op de toewijzing van werk. De klachtencommissie kan dan ook niet besluiten tot het verzuim in hoofde van de directie om een beslissing te nemen binnen een redelijke termijn. De klacht is niet-ontvankelijk.

Klaagster dient klacht in tegen een fouillering op het lichaam. Klaagster vermeldt geen datum van de door haar bestreden beslissing. De directeur maakte een beslissing van 10 februari 2026 over. Aangezien de motivering van deze beslissing melding maakt van een uitgaansvergunning, hetgeen strookt met het verhaal van klaagster, meent de klachtencommissie te mogen besluiten dat de klacht inderdaad gericht werd tegen deze beslissing. Klaagster dient klacht in tegen een beslissing tot fouillering op het lichaam van 10 februari 2026. Klaagster dient haar klacht pas op 25 februari 2026 en dus laattijdig in, zonder daarbij enige reden voor deze laattijdigheid te vermelden. De klacht is niet-ontvankelijk.