KC10/26-0002
Fondée
KC - Hasselt
Commission des plaintes
Autre décision directeur
ARBEID - ONTSLAG - HOORPLICHT - PROPORTIONALITEIT
Klager is het niet eens met zijn ontslag omdat hij meent dat hij zijn werk steeds goed heeft uitgevoerd en nooit voor problemen heeft gezorgd.
Uit de bestreden beslissing blijkt dat de reden voor het ontslag van klager het niet of niet correct opvolgen van instructies van het personeel was. Hiervoor wordt verwezen naar een rapport aan de directeur (RAD). De klachtencommissie stelt vast dat in dit RAD niets is vermeld over een incident tussen klager en een collega die hem wou natspuiten in de wasstraat. De vaststellingen in het RAD staan ook in schril contrast met de verklaringen van klager dat hij onbesproken is in de keuken en nooit problemen veroorzaakt. De directie heeft tijdens de zitting van de klachtencommissie niets verklaard over de werkattitude van klager. De klachtencommissie beschikt niet over een tewerkstellingsfiche waarin eventuele meldingen over een negatieve beoordeling geregistreerd kunnen worden. In deze omstandigheden meent de klachtencommissie dat het zeker aangewezen was dat de directie klager eerst had gehoord vooraleer zij een beslissing nam, hetgeen zij heeft nagelaten. De klachtencommissie besluit tot een schending van het beginsel van behoorlijk bestuur (de hoorplicht). Daarenboven acht de klachtencommissie de beslissing om klager onmiddellijk te ontslaan onredelijk en onbillijk. De klachtencommissie meent dat een waarschuwing eerder op zijn plaats was geweest. De klachten zijn bijgevolg gegrond. De klachtencommissie vernietigt de ontslagbeslissing. Artikel 158, §4, eerste lid van de Basiswet bepaalt dat de directeur de gevolgen van de vernietigde beslissing, voor zover mogelijk, ongedaan maakt. Dit betekent dat klager zijn job in de keuken onmiddellijk herneemt, indien er plaats is. Indien er geen plaats is, dient klager bovenaan de wachtlijst geplaatst te worden.
Klager is het niet eens met zijn ontslag omdat hij meent dat hij zijn werk steeds goed heeft uitgevoerd en nooit voor problemen heeft gezorgd.
Uit de bestreden beslissing blijkt dat de reden voor het ontslag van klager het niet of niet correct opvolgen van instructies van het personeel was. Hiervoor wordt verwezen naar een rapport aan de directeur (RAD). De klachtencommissie stelt vast dat in dit RAD niets is vermeld over een incident tussen klager en een collega die hem wou natspuiten in de wasstraat. De vaststellingen in het RAD staan ook in schril contrast met de verklaringen van klager dat hij onbesproken is in de keuken en nooit problemen veroorzaakt. De directie heeft tijdens de zitting van de klachtencommissie niets verklaard over de werkattitude van klager. De klachtencommissie beschikt niet over een tewerkstellingsfiche waarin eventuele meldingen over een negatieve beoordeling geregistreerd kunnen worden. In deze omstandigheden meent de klachtencommissie dat het zeker aangewezen was dat de directie klager eerst had gehoord vooraleer zij een beslissing nam, hetgeen zij heeft nagelaten. De klachtencommissie besluit tot een schending van het beginsel van behoorlijk bestuur (de hoorplicht). Daarenboven acht de klachtencommissie de beslissing om klager onmiddellijk te ontslaan onredelijk en onbillijk. De klachtencommissie meent dat een waarschuwing eerder op zijn plaats was geweest. De klachten zijn bijgevolg gegrond. De klachtencommissie vernietigt de ontslagbeslissing. Artikel 158, §4, eerste lid van de Basiswet bepaalt dat de directeur de gevolgen van de vernietigde beslissing, voor zover mogelijk, ongedaan maakt. Dit betekent dat klager zijn job in de keuken onmiddellijk herneemt, indien er plaats is. Indien er geen plaats is, dient klager bovenaan de wachtlijst geplaatst te worden.