Ga verder naar de inhoud

KC10/25-0158

Non fondée Fondée KC - Hasselt Commission des plaintes Mesure provisoire Fouille à corps
VOORLOPIGE MAATREGEL - FOUILLE LICHAAM - GEEN BESLISSING DIRECTEUR

In het voorliggend dossier kreeg klager op 27 september 2025 de voorlopige maatregel van onderbrenging in de beveiligde cel opgelegd. De voorlopige maatregel werd opgelegd op basis van de ernstige en opzettelijke aantasting van de interne veiligheid. De motivering maakt melding van het gegeven dat klager zwaar onder invloed van verdovende middelen was. Blijkens het RAD van 27 september 2025 ging het dan ook om een medische afzondering. Bovendien was klager ook verbaal agressief naar het personeel toe. Uit de motivering blijkt volgens de klachtencommissie dat er sprake was van een ernstige en opzettelijke aantasting van de interne veiligheid. De klachtencommissie meent dat de directie afdoende motiveert waarom het aangewezen was om klager de voorlopige maatregel op te leggen. De klachtencommissie besluit dat de voorlopige maatregel conform de voorwaarden uit de Basiswet werd genomen en bovendien gerechtvaardigd was. Om deze redenen is de klacht tegen de voorlopige maatregel ongegrond.

Klager verklaart in zijn klacht dat, eens hij aangekomen was in de beveiligde cel, hij zich volledig moest uitkleden en dat hij drie keer moest bukken. Hij heeft geen papier van een naaktfouille gekregen. Er kon geen beslissing tot fouillering op het lichaam worden teruggevonden in het dossier van klager. De directie stelt dat de door klager beschreven fouillering niet heeft plaatsgevonden. In het voorliggend dossier is er aldus sprake van een woord-tegen-woord verhaal. De klachtencommissie houdt rekening met de volgende elementen:
- Er werd geen beslissing tot fouillering op het lichaam genomen door de directie, hoewel dit volgens de klachtencommissie in het voorliggend dossier had kunnen gebeuren, rekening houdende met de voorhanden zijnde individuele aanwijzingen over het gedrag van klager.
- De directie kan omtrent het gebeurde enkel terugvallen op de verklaringen van het personeel dat bij de plaatsing betrokken was. Indien er zich in weerwil van deze verklaringen tóch een kledijwissel zoals door klager beschreven zou hebben voorgedaan (en dit aldus buiten het medeweten van de directie om), benadrukt de klachtencommissie dat zij dit extreem laakbaar zou vinden.
- De klachtencommissie meent echter ook dat het niet ongeloofwaardig is dat klager zich bepaalde gebeurtenissen omwille van zijn toestand op het ogenblik van plaatsing op de beveiligde cel anders herinnert dan ze zich hebben voorgedaan.
Rekening houdende met al deze elementen kan de klachtencommissie niet besluiten dat er in het voorliggend dossier sprake was van een beslissing van de directeur ten aanzien van klager in de zin van artikel 148 Basiswet. De klacht is niet-ontvankelijk.