Ga verder naar de inhoud

KC10/25-0144

Non fondée KC - Hasselt Commission des plaintes Disciplinaire
TUCHT - VERBODEN VOORWERPEN - VERBODEN SUBSTANTIES - MEDEPLICHTIGHEID

Klager dient klacht in tegen een tuchtbeslissing waarbij hij gesanctioneerd werd wegens “het bezit van of de handel in door of krachtens de wet verboden voorwerpen of substanties” en wegens “het niet-naleven van de door het huishoudelijk reglement voorgeschreven bepalingen”.

In eerste instantie meent de klachtencommissie dat het RAD duidelijk werd opgesteld en ook ondertekend werd door een getuige van het personeel. De opsteller van het RAD lijst duidelijk op welke verboden voorwerpen werden gevonden en op welke specifieke plaats. Tijdens de tuchtrechtelijke hoorzitting stelt klager zelf dat zijn celgenoot hem verteld had dat het mes er nog van vroeger lag. De klachtencommissie is van oordeel dat de stelling dat klager niet op de hoogte was van de aanwezigheid van de gevonden snus op zijn cel, niet aannemelijk is. De drugs werden immers gevonden op de vensterbank van de gemeenschappelijke cel. Het is aannemelijk dat klager minstens op de hoogte was van de aanwezigheid van de drugs op de cel.

De Nederlandstalige Beroepscommissie heeft in het kader van de vondst van verboden substanties met betrekking tot de deelneming geoordeeld dat wanneer celgenoten hun betrokkenheid bij de tuchtrechtelijke inbreuk ontkennen, de individuele verantwoordelijkheid van een gedetineerde kan worden vastgesteld op basis van de plaats en de hoeveelheid van de verboden substantie. Wanneer de verboden substantie wordt aangetroffen op een voor de hand liggende plaats – zoals in casu het geval is, namelijk op de vensterbank in de meerpersoonscel – kan een gedetineerde mee verantwoordelijk worden geacht. Er is dan sprake van deelneming in de zin van art. 131 van de Basiswet. Dit artikel voorziet immers dat deelneming aan een tuchtrechtelijke inbreuk wordt gestraft met dezelfde straffen als de tuchtrechtelijke inbreuk zelf. De klachtencommissie is dan ook van oordeel dat gelet op het feit dat klager zelf tijdens de hoorzitting toegeeft dat hij kennis had van de aanwezigheid van het mesje op cel en gelet op het feit dat de verboden voorwerpen werden gevonden op een voor hem zichtbare plaats, namelijk op de vensterbank en op de lavabo, de directie de verantwoordelijkheid bij zowel klager als zijn celgenoot mocht leggen.

De directie heeft afdoende gemotiveerd waarom de feiten een tuchtrechtelijke inbreuk uitmaakten.