Ga verder naar de inhoud

KC10/25-0077

Fondée KC - Hasselt Commission des plaintes Disciplinaire
TUCHT - VERMOEDEN VAN ONSCHULD

De klacht betreft een tuchtbeslissing van de directie van de gevangenis van Hasselt.

Klager wordt bij tuchtbeslissing gesanctioneerd met 7 dagen dagen ATV omwille van de inbreuk van de eerste categorie “het bezit of gebruik van technologische middelen die onregelmatige communicatie met de buitenwereld mogelijk maken”.

Het vermoeden van onschuld is een fundamenteel beginsel van het tuchtrecht. Het houdt in dat eenieder tegen wie een (tucht)vervolging is ingesteld, voor onschuldig wordt gehouden totdat zijn schuld in rechte is komen vast te staan. Een gedetineerde kan alleen schuldig worden verklaard aan de hem ten laste gelegde tuchtrechtelijke inbreuk wanneer de directeur, op grond van al het bewijsmateriaal waarover hij beschikt, de ten laste gelegde schuldig acht. Hieruit volgt niet alleen dat op de tuchtoverheid de bewijslast rust van het bewezen zijn van de ten laste gelegde tuchtinbreuk, maar ook dat het tuchtfeit aan de tuchtrechtelijk vervolgde (individueel) kan worden toegerekend. Het belang van de individuele toerekening vindt steun in de parlementaire voorbereiding bij de basiswet waarin het legaliteitsbeginsel, het non bis in idem-beginsel en het recht van verdediging worden aangehaald als de beginselen die een correcte toepassing van het tuchtrecht in het gevangeniswezen behoren te garanderen.

In casu werd aan elke betrokken gedetineerde de tuchtinbreuk toegerekend omdat de directeur niet weet wie de feiten heeft gepleegd. Gelet op het vermoeden van onschuld, dient de directie te motiveren waarom zij de feiten aan klager individueel toerekent. Uit het RAD blijkt dat klager zich op het moment van de feiten in de badkamer (klager verklaart in de ‘kitchenette’) bevond en zijn celgenoot op het toilet. De GSM werd gevonden onder de wc-pot. Er wordt onvoldoende aangetoond dat de GSM op het moment van de feiten in het bezit was van klager en/of klager deze aan het gebruiken was.

De klachtencommissie stelt vast dat de directeur onvoldoende onderzocht heeft of de tuchtinbreuk individueel aan klager kon worden toegerekend. De beslissing van de directie schendt het vermoeden van onschuld en het verbod op collectieve straffen en is derhalve niet genomen met inachtneming van de wettelijke bepalingen. Om deze reden is de klacht gegrond.