Ga verder naar de inhoud

KC10/24-0154

Fondée KC - Hasselt Commission des plaintes Mesure d'ordre
ORDEMAATREGEL - ARBEID - ONTSLAG

De klacht is gericht tegen de ontslagbeslissing van 22.11.2024 van de directie van de gevangenis van Hasselt.

Op grond van het verweer van de directie en de dossierstukken, meent de klachtencommissie dat klager is ontslagen omdat de directie hem niet langer geschikt achtte voor de arbeidspost, nl. de
bibliotheek. Uit de schriftelijke ontslagbeslissing blijkt dat het rapport aan de directeur (RAD) van 16.11.2024 de spreekwoordelijke druppel was om een verzoek tot ontslag van klager in te dienen. Volgens de vaststellingen in het RAD kwam klager omstreeks 14u15 al uit de bibliotheek en zei hij aan de opsteller van het RAD dat hij klaar was met werken. Toen de opsteller klager erop wees dat hij tot 16u30 moest werken, zei hij dat hij zich niet goed voelde en vertrok hij naar sectie. Toen de opsteller contact opnam met de sectie van klager, bleek dat klager naar de wandeling was zonder iets gemeld te hebben dat hij zich ziek voelde.

Uit de schriftelijke ontslagbeslissing blijkt dat er op 04.11.2024 ook al een RAD werd opgemaakt omdat klager niet wou aannemen dat hij pas in de namiddag moest gaan werken terwijl hij in de
voormiddag wou gaan werken. Als hij niet zelf zijn werkuren mocht bepalen, dan zou hij zijn ontslag indienen. De directie nam kennis van de rapporten en besloot tot het ontslag van klager omdat klager herhaaldelijk de werkregels negeerde waardoor hij ongeschikt werd geacht om verder in de bibliotheek te werken. De directie vermeldt in de motivering van de beslissing ook dat klager door
zijn werkattitude de doelstellingen van arbeid in detentie ondermijnt. Hij bevordert zijn verantwoordelijkheidszin en re-integratie immers niet.

De klachtencommissie sluit zich aan bij dit oordeel van de directie. In de vrije samenleving kan menals niet-zelfstandige immers ook niet zelf zijn werkrooster bepalen en dient men een medisch attest
voor te leggen opdat een afwezigheid gerechtigd is. Tot slot meent de klachtencommissie dat klager de continuïteit van de dienstverlening in het gedrang heeft gebracht. De vraag naar werk is groter
dan het aanbod waardoor de klachtencommissie meent dat de directie terecht de schaarse arbeidsplaatsen wil voorbehouden voor gemotiveerde en betrouwbare werkkrachten.

De klachtencommissie besluit dat de directie conform de dienstnota van 18.06.2015 tot het ontslag van klager kon beslissen op grond van de twee RAD’s.
De klachtencommissie merkt weliswaar op dat in strijd met de dienstnota van 18.06.2015, nergens in de bestreden beslissing vermeld staat dat klager ander werk kan krijgen zodra ander passend
werk voorhanden is, zonder achteraan de wachtlijst te worden geplaatst. Om deze redenen is de klacht kennelijk gedeeltelijk gegrond. De klachtencommissie zegt dat haar uitspraak in de plaats treedt en bepaalt dat klager conform de dienstnota van 18.06.2015 ander werk kan krijgen zodra een ander passend werk voorhanden is, zonder achteraan op de wachtlijst te komen. Voor het overige blijft de ontslagbeslissing bestaan.