TUCHT - BEWIJS
De klachtencommissie nam kennis van het tuchtdossier dat één rapport aan de directeur (RAD) bevat. Volgens het RAD kwam klager voorbijgelopen langs de gratis kapper en begon klager deze medegedetineerde uit te schelden in het Arabisch. Omwille van het geroep, maande de opsteller van het RAD klager aan om hiermee te stoppen en door te wandelen. Pas na de vierde aanmaning, zou klager zijn doorgelopen. Tijdens de tuchtrechtelijke hoorzitting vroeg de raadsman van klager zich af of de opsteller van het RAD of de getuige Arabisch begrijpen of de vaststellingen in het RAD de vertaling waren van hetgeen de medegedetineerde verklaarde. De directie benadrukte echter dat ze niet zo zeer tilde aan de scheldtirade in het Arabisch maar dat klager niet moest staan roepen en dat hij niet naar de instructies van het personeel had geluisterd. De raadsman van klager trad deze stelling bij en klager verklaarde hier in de toekomst op te letten.
De directeur weerhield twee tuchtinbreuken van tweede categorie, namelijk het niet-naleven van de door het huishoudelijk reglement voorgeschreven bepalingen en het geen gevolg geven aan de aanmaningen en bevelen van het personeel. Klager werd bijgevolg niet gesanctioneerd voor eventuele beledigingen gericht aan een medegedetineerde. De klachtencommissie is van oordeel dat de directeur in redelijkheid en billijkheid de tuchtinbreuken kon bewezen verklaren gelet op de vaststellingen in het rapport en de impliciete bekentenis van klager tijdens de hoorzitting.
De directeur legde een voorwaardelijke algemene tuchtsanctie op in de vorm van veertien dagen ATV. Voor een tuchtinbreuk van tweede categorie kan maximaal vijftien dagen ATV opgelegd worden. De tuchtsanctie was bijgevolg wettig. De klachtencommissie is bovendien van oordeel dat de tuchtsanctie ook niet onredelijk of onbillijk was gelet op het voorwaardelijk karakter ervan. De klachtencommissie meent dat de directie bijzonder mild is geweest in de straftoemeting. De klachtencommissie is nochtans door een vorig dossier (KC10/23-0127) op de hoogte dat klager reeds tuchtrechtelijk werd gesanctioneerd voor de opzettelijke aantasting van de psychische integriteit van dezelfde medegedetineerde. Om deze redenen is de klacht ongegrond.
De klachtencommissie nam kennis van het tuchtdossier dat één rapport aan de directeur (RAD) bevat. Volgens het RAD kwam klager voorbijgelopen langs de gratis kapper en begon klager deze medegedetineerde uit te schelden in het Arabisch. Omwille van het geroep, maande de opsteller van het RAD klager aan om hiermee te stoppen en door te wandelen. Pas na de vierde aanmaning, zou klager zijn doorgelopen. Tijdens de tuchtrechtelijke hoorzitting vroeg de raadsman van klager zich af of de opsteller van het RAD of de getuige Arabisch begrijpen of de vaststellingen in het RAD de vertaling waren van hetgeen de medegedetineerde verklaarde. De directie benadrukte echter dat ze niet zo zeer tilde aan de scheldtirade in het Arabisch maar dat klager niet moest staan roepen en dat hij niet naar de instructies van het personeel had geluisterd. De raadsman van klager trad deze stelling bij en klager verklaarde hier in de toekomst op te letten.
De directeur weerhield twee tuchtinbreuken van tweede categorie, namelijk het niet-naleven van de door het huishoudelijk reglement voorgeschreven bepalingen en het geen gevolg geven aan de aanmaningen en bevelen van het personeel. Klager werd bijgevolg niet gesanctioneerd voor eventuele beledigingen gericht aan een medegedetineerde. De klachtencommissie is van oordeel dat de directeur in redelijkheid en billijkheid de tuchtinbreuken kon bewezen verklaren gelet op de vaststellingen in het rapport en de impliciete bekentenis van klager tijdens de hoorzitting.
De directeur legde een voorwaardelijke algemene tuchtsanctie op in de vorm van veertien dagen ATV. Voor een tuchtinbreuk van tweede categorie kan maximaal vijftien dagen ATV opgelegd worden. De tuchtsanctie was bijgevolg wettig. De klachtencommissie is bovendien van oordeel dat de tuchtsanctie ook niet onredelijk of onbillijk was gelet op het voorwaardelijk karakter ervan. De klachtencommissie meent dat de directie bijzonder mild is geweest in de straftoemeting. De klachtencommissie is nochtans door een vorig dossier (KC10/23-0127) op de hoogte dat klager reeds tuchtrechtelijk werd gesanctioneerd voor de opzettelijke aantasting van de psychische integriteit van dezelfde medegedetineerde. Om deze redenen is de klacht ongegrond.