TUCHT - MOTIVERING - VERBODEN SUBSTANTIES - VOORLOPIGE MAATREGEL - SANCTIE
Tijdens de avondwandeling kreeg opsteller de melding van een collega dat klager drugs aanbood aan de ramen van medegedetineerden. Wanneer opsteller en zijn collega klager van de wandeling haalden, zagen ze hoe klager een plastiek folie wilde wegmoffelen. Toen aan klager werd gevraagd om dit te overhandigen, heeft hij dit in zijn mond gestoken en doorgeslikt. Tijdens de daaropvolgende naaktfouille heeft klager toegegeven dat hij “het” had ingeslikt. De directeur besloot om klager een voorlopige maatregel op te leggen wegens het “inslikken van verboden substantie” waardoor klager vanaf 31.05.2023verbleef in de beveiligde cel. Tijdens de tuchtrechtelijke hoorzitting verklaarde klager dat hij geen drugs aan het verhandelen was maar dat het een Rilatine-pil was die hij had ingeslikt. Hij wou de pil niet afgeven want anders was hij ze kwijt. Hij had gevraagd om een drugstest te mogen doen maar zijn vraag werd niet ingewilligd. In de tuchtbeslissing werd bovenaan aangeduid dat klager gesanctioneerd werd voor een tuchtinbreuk van eerste categorie gelet op de feiten van het “inslikken van een verboden substantie” maar er werd geen tuchtrechtelijke inbreuk van eerste categorie aangekruist. De motivering van de tuchtbeslissing luidt als volgt: “Betrokkene gaf toe dat hij Rilatine had meegenomen naar de wandeling om te verkopen. Hij zou dit hebben ingeslikt omdat hij het anders had moeten afgeven. Volgens de medische dienst krijgt betrokkene geen Rilatine voorgeschreven.”
De klachtencommissie stelt vast dat de tuchtbeslissing verwarrend is opgesteld en dat de omschrijving van de feiten niet overeenkomt met de motivering van de tuchtbeslissing en dat er bovendien geen duidelijke tuchtrechtelijke kwalificatie werd gegeven. De directie lijkt klager te willen sanctioneren voor de tuchtrechtelijke inbreuk van eerste categorie, namelijk het bezit van of de handel in door of krachtens de wet verboden voorwerpen of substanties aangezien zij de feiten omschrijft als het inslikken van verboden substantie. Op basis van het tuchtdossier is echter niet bewezen dat hetgeen klager heeft ingeslikt, effectief een verboden substantie was. Bijgevolg is er onvoldoende bewijs om klager voor deze tuchtrechtelijke inbreuk van eerste categorie te sanctioneren. Anderzijds lijkt de directie in de motivering van de tuchtbeslissing de verklaring van klager te aanvaarden, namelijk dat hetgeen hij heeft ingeslikt een Rilatinepil is. Echter, Rilatine is geen bij wet verboden substantie waardoor het inslikken van een Rilatinepil niet gekwalificeerd kan worden als het bezit van of de handel in door of krachtens de wet verboden voorwerpen of substanties maar slechts als een inbreuk van tweede categorie, namelijk het niet-naleven van de door het huishoudelijk reglement voorgeschreven bepalingen, meer specifiek de regels omtrent medicatie.
Tot slot werd een tuchtsanctie opgelegd vanaf 04.06.2023 tot en met 10.06.2023 terwijl klager sinds 31.05.2023 in de beveiligde cel verbleef onder voorlopige maatregel. De Basiswet voorziet dat wanneer de voorlopige maatregel omgevormd wordt naar een gelijkaardige tuchtsanctie, de tijd van de voorlopige maatregel in mindering van de tuchtsanctie moet worden gebracht. De tijd dat klager in afwachting van de betekening van de tuchtbeslissing in de beveiligde cel verbleef, werd niet afgetrokken van de ATV-sanctie.
De klacht is gegrond. De tuchtbeslissing wordt vernietigd.
Tijdens de avondwandeling kreeg opsteller de melding van een collega dat klager drugs aanbood aan de ramen van medegedetineerden. Wanneer opsteller en zijn collega klager van de wandeling haalden, zagen ze hoe klager een plastiek folie wilde wegmoffelen. Toen aan klager werd gevraagd om dit te overhandigen, heeft hij dit in zijn mond gestoken en doorgeslikt. Tijdens de daaropvolgende naaktfouille heeft klager toegegeven dat hij “het” had ingeslikt. De directeur besloot om klager een voorlopige maatregel op te leggen wegens het “inslikken van verboden substantie” waardoor klager vanaf 31.05.2023verbleef in de beveiligde cel. Tijdens de tuchtrechtelijke hoorzitting verklaarde klager dat hij geen drugs aan het verhandelen was maar dat het een Rilatine-pil was die hij had ingeslikt. Hij wou de pil niet afgeven want anders was hij ze kwijt. Hij had gevraagd om een drugstest te mogen doen maar zijn vraag werd niet ingewilligd. In de tuchtbeslissing werd bovenaan aangeduid dat klager gesanctioneerd werd voor een tuchtinbreuk van eerste categorie gelet op de feiten van het “inslikken van een verboden substantie” maar er werd geen tuchtrechtelijke inbreuk van eerste categorie aangekruist. De motivering van de tuchtbeslissing luidt als volgt: “Betrokkene gaf toe dat hij Rilatine had meegenomen naar de wandeling om te verkopen. Hij zou dit hebben ingeslikt omdat hij het anders had moeten afgeven. Volgens de medische dienst krijgt betrokkene geen Rilatine voorgeschreven.”
De klachtencommissie stelt vast dat de tuchtbeslissing verwarrend is opgesteld en dat de omschrijving van de feiten niet overeenkomt met de motivering van de tuchtbeslissing en dat er bovendien geen duidelijke tuchtrechtelijke kwalificatie werd gegeven. De directie lijkt klager te willen sanctioneren voor de tuchtrechtelijke inbreuk van eerste categorie, namelijk het bezit van of de handel in door of krachtens de wet verboden voorwerpen of substanties aangezien zij de feiten omschrijft als het inslikken van verboden substantie. Op basis van het tuchtdossier is echter niet bewezen dat hetgeen klager heeft ingeslikt, effectief een verboden substantie was. Bijgevolg is er onvoldoende bewijs om klager voor deze tuchtrechtelijke inbreuk van eerste categorie te sanctioneren. Anderzijds lijkt de directie in de motivering van de tuchtbeslissing de verklaring van klager te aanvaarden, namelijk dat hetgeen hij heeft ingeslikt een Rilatinepil is. Echter, Rilatine is geen bij wet verboden substantie waardoor het inslikken van een Rilatinepil niet gekwalificeerd kan worden als het bezit van of de handel in door of krachtens de wet verboden voorwerpen of substanties maar slechts als een inbreuk van tweede categorie, namelijk het niet-naleven van de door het huishoudelijk reglement voorgeschreven bepalingen, meer specifiek de regels omtrent medicatie.
Tot slot werd een tuchtsanctie opgelegd vanaf 04.06.2023 tot en met 10.06.2023 terwijl klager sinds 31.05.2023 in de beveiligde cel verbleef onder voorlopige maatregel. De Basiswet voorziet dat wanneer de voorlopige maatregel omgevormd wordt naar een gelijkaardige tuchtsanctie, de tijd van de voorlopige maatregel in mindering van de tuchtsanctie moet worden gebracht. De tijd dat klager in afwachting van de betekening van de tuchtbeslissing in de beveiligde cel verbleef, werd niet afgetrokken van de ATV-sanctie.
De klacht is gegrond. De tuchtbeslissing wordt vernietigd.