KC10/22-0097
Non fondée
Fondée
Compensation
KC - Hasselt
Commission des plaintes
Autre décision directeur
Mesure provisoire
Disciplinaire
VOORLOPIGE MAATREGEL - MOTIVERING - TUCHT - RECHT OP TEGENSPRAAK - CELMUTATIE - SANCTIE
De klachtencommissie wijst erop dat in geval van opzettelijke aantasting van de interne veiligheid (artikel 145 §1, eerste lid Basiswet) enkel de maatregelen uit artikel 112 §1, 4° en 5° Basiswet kunnen worden opgelegd. Van de in het voorliggend dossier opgelegde maatregelen kon wettelijk gezien enkel de plaatsing op een beveiligde cel opgelegd worden. De beslissing tot voorlopige maatregel zoals ze in het voorliggend dossier werd opgesteld is dan ook strijdig met artikel 145 Basiswet, met uitzondering van de plaatsing in de beveiligde cel. De klachtencommissie stelt bijkomend vast dat het op basis van de ondertekening onvoldoende duidelijk is of de beslissing door een directeur genomen werd, hetgeen vereist wordt door artikel 145 Basiswet. De klacht is gegrond. De beslissing wordt vernietigd. Aangezien de gevolgen van de vernietigde beslissing niet meer ongedaan gemaakt kunnen worden, kent de klachtencommissie de volgende tegemoetkoming toe aan klager: twee extra douchemomenten.
Het tweede RAD van 7 november 2022 werd minstens op de tuchtrechtelijke hoorzitting aan de tegenspraak van klager onderworpen. Er is dan ook géén sprake van een schending van de rechten van verdediging van klager. De klachtencommissie vindt het redelijk dat de directie de feiten zoals opgenomen in de RAD’s van 7 november 2022 bewezen achtte en ze aan klager toerekende. De directie kwalificeerde de feiten als de opzettelijke aantasting van de fysieke integriteit van personen, of de bedreiging daarmee (artikel 129, 1° Basiswet). De klachtencommissie acht deze kwalificatie correct en afdoende gemotiveerd. Klager kreeg een verbod van 21 dagen deelname aan de gemeenschappelijke wandeling opgelegd. Volgens de klachtencommissie voldoet de motivering voor deze bijzondere sanctie aan de vereisten van artikel 133 j° artikel 8 Basiswet. Bovendien vindt de klachtencommissie deze sanctie, gelet op de feiten, redelijk. De klacht is ongegrond.
Hoewel de directie de overplaatsing naar sectie 20 in haar verweer motiveert als zijnde een preventieve maatregel, lijkt er op basis van het verslag van de tuchtrechtelijke hoorzitting een bestraffende finaliteit aan ten grondslag te liggen. De overplaatsing lijkt met name te worden opgelegd als sanctie voor het feit dat klager zonder dat hij dit mocht (gelet op zijn lopende sanctie) naar de wandeling ging. Ook al werd dit niet als zodanig opgenomen in de tuchtbeslissing, deze ‘sanctie’ werd uitgesproken ter tuchtrechtelijke hoorzitting. Gelet de beslissing tot overplaatsing door de wijze en het moment waarop ze werd genomen in die zin dan ook een sanctionering uitmaakt met een tuchtsanctie die niet door de Basiswet wordt voorzien, is de beslissing tot overplaatsing naar sectie 20 strijdig met artikel 124 Basiswet. De klacht is gegrond. De beslissing wordt vernietigd.
De klachtencommissie wijst erop dat in geval van opzettelijke aantasting van de interne veiligheid (artikel 145 §1, eerste lid Basiswet) enkel de maatregelen uit artikel 112 §1, 4° en 5° Basiswet kunnen worden opgelegd. Van de in het voorliggend dossier opgelegde maatregelen kon wettelijk gezien enkel de plaatsing op een beveiligde cel opgelegd worden. De beslissing tot voorlopige maatregel zoals ze in het voorliggend dossier werd opgesteld is dan ook strijdig met artikel 145 Basiswet, met uitzondering van de plaatsing in de beveiligde cel. De klachtencommissie stelt bijkomend vast dat het op basis van de ondertekening onvoldoende duidelijk is of de beslissing door een directeur genomen werd, hetgeen vereist wordt door artikel 145 Basiswet. De klacht is gegrond. De beslissing wordt vernietigd. Aangezien de gevolgen van de vernietigde beslissing niet meer ongedaan gemaakt kunnen worden, kent de klachtencommissie de volgende tegemoetkoming toe aan klager: twee extra douchemomenten.
Het tweede RAD van 7 november 2022 werd minstens op de tuchtrechtelijke hoorzitting aan de tegenspraak van klager onderworpen. Er is dan ook géén sprake van een schending van de rechten van verdediging van klager. De klachtencommissie vindt het redelijk dat de directie de feiten zoals opgenomen in de RAD’s van 7 november 2022 bewezen achtte en ze aan klager toerekende. De directie kwalificeerde de feiten als de opzettelijke aantasting van de fysieke integriteit van personen, of de bedreiging daarmee (artikel 129, 1° Basiswet). De klachtencommissie acht deze kwalificatie correct en afdoende gemotiveerd. Klager kreeg een verbod van 21 dagen deelname aan de gemeenschappelijke wandeling opgelegd. Volgens de klachtencommissie voldoet de motivering voor deze bijzondere sanctie aan de vereisten van artikel 133 j° artikel 8 Basiswet. Bovendien vindt de klachtencommissie deze sanctie, gelet op de feiten, redelijk. De klacht is ongegrond.
Hoewel de directie de overplaatsing naar sectie 20 in haar verweer motiveert als zijnde een preventieve maatregel, lijkt er op basis van het verslag van de tuchtrechtelijke hoorzitting een bestraffende finaliteit aan ten grondslag te liggen. De overplaatsing lijkt met name te worden opgelegd als sanctie voor het feit dat klager zonder dat hij dit mocht (gelet op zijn lopende sanctie) naar de wandeling ging. Ook al werd dit niet als zodanig opgenomen in de tuchtbeslissing, deze ‘sanctie’ werd uitgesproken ter tuchtrechtelijke hoorzitting. Gelet de beslissing tot overplaatsing door de wijze en het moment waarop ze werd genomen in die zin dan ook een sanctionering uitmaakt met een tuchtsanctie die niet door de Basiswet wordt voorzien, is de beslissing tot overplaatsing naar sectie 20 strijdig met artikel 124 Basiswet. De klacht is gegrond. De beslissing wordt vernietigd.