Ga verder naar de inhoud

KC10/22-0004

Fondée KC - Hasselt Commission des plaintes Autre décision directeur
SCHADE - REKENINGEN

De bestreden beslissing is de beslissing waarbij de directeur besliste dat klager de schade aan cel 2104 zoals beschreven in het RAD van 13 januari 2022 en begroot ten belope van 200 euro verschuldigd is. CB nr. 131 van 6 augustus 2015 betreffende de vergoeding van schade veroorzaakt door gedetineerden aan goederen toebehorend aan de overheid bepaalt een procedure. De Klachtencommissie stelde ter zitting de vraag of deze regeling, die handelt over voorwerpen die toebehoren aan de FOD Justitie, ook van toepassing is op schade aan een cel, als onroerend goed wellicht toebehorend aan de Regie der Gebouwen. De directie verklaarde dat de procedure voor gebouwen en meubilair van de overheid steeds dezelfde is. De CB nr. 131 voorziet twee pistes: enerzijds de betaling van de schadevergoeding op vrijwillige basis, afhankelijk van een uitdrukkelijke en schriftelijke instemming van de gedetineerde en anderzijds de inhouding zonder instemming van de gedetineerde zoals geregeld in artikel 104/1 van de Basiswet. In casu heeft klager geen werk, zodat de tweede piste van artikel 104/1 van de Basiswet niet kan toegepast worden. De directie (of in casu, volgens de verklaringen van de directie ter zitting, wellicht via tussenkomst van de Rekendienst namens de directie) opteerde voor de eerste piste: het voorleggen van een schadeformulier aan klager ter schriftelijke instemming. Klager stemde niet in met de afhouding van een bedrag. Gelet op het gebrek aan instemming, bleef het schadeformulier dat door hem niet werd ondertekend, zonder gevolg. Toch acht de Klachtencommissie het belangrijk om deze beslissing an sich onder de loep te nemen. De verjaringstermijn voor schadegevallen bedraagt immers 5 jaar. Dat er tot hiertoe nog geen geld werd afgehouden, is te wijten aan de procedure en meer bepaald de situatie van klager op het ogenblik van het overhandigen van het schadeformulier (i.e. geen inkomsten uit arbeid op dat ogenblik). Deze feitelijke situatie verhindert niet dat deze beslissing, indien ze blijft bestaan, in de toekomst nog ten uitvoer zou worden gebracht (bijvoorbeeld op het moment dat hij wél inkomsten uit arbeid heeft). De Klachtencommissie toetst dan ook de bestreden beslissing en vernietigt ze. Grondvoorwaarde voor het kunnen nemen van deze beslissing was immers dat er sprake moet zijn van een schade veroorzaakt door de kwaadwilligheid of nalatigheid van de gedetineerde. In casu staat onvoldoende vast dat de schade werd veroorzaakt door klager, gelet op het feit dat hij zich niet alleen in die cel bevond en er geen plaatsbeschrijving werd opgemaakt op het moment van zijn plaatsing in de desbetreffende cel. De klacht is gegrond. De beslissing dat klager de schade aan cel 2104 zoals beschreven in het RAD van 13 januari 2022 en begroot ten belope van 200 euro verschuldigd is, wordt vernietigd.