KC09/26-0319
Non fondée
Fondée
KC - Gent
Commission des plaintes
Mesure provisoire
Disciplinaire
Fouille à corps
FOUILLE LICHAAM - VOORLOPIGE MAATREGEL - TUCHT - MOTIVERING
Klager zijn advocaat gaf aan dat de fouille doorging in een lokaal waarbij andere gedetineerden klager konden zien. De directie erkent dat de fouille doorging in het wachtlokaal maar betwist dat de gedetineerden die van de wandeling kwamen klager konden zien.
De Basiswet voorziet dat een fouille aan het lichaam plaats moet vinden in een gesloten ruimte maar vereist niet dat deze in een specifiek fouillelokaal dient door te gaan. Het feit dat klager gezien werd door andere gedetineerden wordt niet aannemelijk gemaakt. Immers geeft de advocaat in zijn klacht zelf aan dat er ten tijde van klager zijn fouille geen grote bewegingen - zoals de wandeling- waren maar wel “ bewegingen binnen het regime’.
Verder haalt de advocaat van klager aan dat klager een handdoek kreeg maar zich toch diende te ontbloten. De klachtencommissie verwijst naar bijlage 3 van de collectieve brief nr. 141 ‘Fouille’ waarin het verloop van een fouille uiteengeschreven staat waaronder het wegnemen van de handdoek.
Aldus behoort het tot de procedure dat klager op een bepaald moment de handdoek dient te verwijderen zodat het personeel de nodige vaststellingen kan doen.
De klacht is om deze redenen ongegrond.
De voorlopige maatregel werd dubbel gemotiveerd. De klachtencommissie stelt vast dat er geen aankruising is van de ‘‘de ernstige en opzettelijke aantasting van de interne veiligheid’ of ‘het aanzetten tot of het voeren van collectieve acties die de veiligheid in de gevangenis ernstig in gevaar brengen’ in het formulier en meent dat er sprake is van een slordigheid. Het lijkt erop dat men de voorlopige maatregel gekopieerd heeft en vergat deze motivering te verwijderen. De klachtencommissie kan deze feiten immers nergens uit het dossier afleiden. De klachtencommissie vast dat ook de verbonden maatregel in strijd is met de Basiswet. De Basiswet voorziet dat in geval van een gevaar voor de orde of veiligheid slechts drie maatregelen genomen kunnen worden :
- Het ontnemen of onthouden van voorwerpen
- De uitsluiting van deelname aan volgende individuele of gemeenschappelijke activiteiten
- Observatie overdag en tijdens de nacht.
Het verplicht verblijf in de toegewezen ruimte of zoals de directie dit verwoordde als ‘ATV tot hoorzitting’ is dus in strijd met de Basiswet.
De klacht gericht tegen de voorlopige maatregel is gegrond.
De advocaat van klager haalt aan de directie onvoldoende motiveert waarom de feiten aan klager toegerekend kunnen worden nu klager zelf geïnterneerd is.
De klachtencommissie volgt de advocaat van klager niet. Uit de handelingen , gesteld door de klager én aangehaald in de beslissing , blijkt dat hij bewust afspreekt met medegedetineerden op de wandeling om drugs uit zijn cel te gooien . Als hij merkt dat er een fouille komt , geeft hij als afleiding een USB-stick af , maar verzwijgt de aanwezigheid van drugs in zijn broek . De organisatie van deze drugshandel , gecombineerd met zijn tuchtrechtelijk verleden , dat terecht wordt aangehaald in de beslissing , toont aan dat klager ondanks vorige sancties , volhardt in de drugshandel . Dit toont aan dat klager helder was op het moment van de feiten en zich bewust was van zijn daden. De klachtencommissie merkt ook op dat er tijdens de tuchtzitting door de advocaat geen argumenten aangegeven werden die het vermoeden van niet toerekeningsvatbaarheid ondersteunen . Aldus oordeelt de klachtencommissie dat klager zich wel degelijk bewust was van zijn daden en deze aan hem konden worden toegerekend. De klacht gericht tegen de tuchtbeslissing is ongegrond.
Klager zijn advocaat gaf aan dat de fouille doorging in een lokaal waarbij andere gedetineerden klager konden zien. De directie erkent dat de fouille doorging in het wachtlokaal maar betwist dat de gedetineerden die van de wandeling kwamen klager konden zien.
De Basiswet voorziet dat een fouille aan het lichaam plaats moet vinden in een gesloten ruimte maar vereist niet dat deze in een specifiek fouillelokaal dient door te gaan. Het feit dat klager gezien werd door andere gedetineerden wordt niet aannemelijk gemaakt. Immers geeft de advocaat in zijn klacht zelf aan dat er ten tijde van klager zijn fouille geen grote bewegingen - zoals de wandeling- waren maar wel “ bewegingen binnen het regime’.
Verder haalt de advocaat van klager aan dat klager een handdoek kreeg maar zich toch diende te ontbloten. De klachtencommissie verwijst naar bijlage 3 van de collectieve brief nr. 141 ‘Fouille’ waarin het verloop van een fouille uiteengeschreven staat waaronder het wegnemen van de handdoek.
Aldus behoort het tot de procedure dat klager op een bepaald moment de handdoek dient te verwijderen zodat het personeel de nodige vaststellingen kan doen.
De klacht is om deze redenen ongegrond.
De voorlopige maatregel werd dubbel gemotiveerd. De klachtencommissie stelt vast dat er geen aankruising is van de ‘‘de ernstige en opzettelijke aantasting van de interne veiligheid’ of ‘het aanzetten tot of het voeren van collectieve acties die de veiligheid in de gevangenis ernstig in gevaar brengen’ in het formulier en meent dat er sprake is van een slordigheid. Het lijkt erop dat men de voorlopige maatregel gekopieerd heeft en vergat deze motivering te verwijderen. De klachtencommissie kan deze feiten immers nergens uit het dossier afleiden. De klachtencommissie vast dat ook de verbonden maatregel in strijd is met de Basiswet. De Basiswet voorziet dat in geval van een gevaar voor de orde of veiligheid slechts drie maatregelen genomen kunnen worden :
- Het ontnemen of onthouden van voorwerpen
- De uitsluiting van deelname aan volgende individuele of gemeenschappelijke activiteiten
- Observatie overdag en tijdens de nacht.
Het verplicht verblijf in de toegewezen ruimte of zoals de directie dit verwoordde als ‘ATV tot hoorzitting’ is dus in strijd met de Basiswet.
De klacht gericht tegen de voorlopige maatregel is gegrond.
De advocaat van klager haalt aan de directie onvoldoende motiveert waarom de feiten aan klager toegerekend kunnen worden nu klager zelf geïnterneerd is.
De klachtencommissie volgt de advocaat van klager niet. Uit de handelingen , gesteld door de klager én aangehaald in de beslissing , blijkt dat hij bewust afspreekt met medegedetineerden op de wandeling om drugs uit zijn cel te gooien . Als hij merkt dat er een fouille komt , geeft hij als afleiding een USB-stick af , maar verzwijgt de aanwezigheid van drugs in zijn broek . De organisatie van deze drugshandel , gecombineerd met zijn tuchtrechtelijk verleden , dat terecht wordt aangehaald in de beslissing , toont aan dat klager ondanks vorige sancties , volhardt in de drugshandel . Dit toont aan dat klager helder was op het moment van de feiten en zich bewust was van zijn daden. De klachtencommissie merkt ook op dat er tijdens de tuchtzitting door de advocaat geen argumenten aangegeven werden die het vermoeden van niet toerekeningsvatbaarheid ondersteunen . Aldus oordeelt de klachtencommissie dat klager zich wel degelijk bewust was van zijn daden en deze aan hem konden worden toegerekend. De klacht gericht tegen de tuchtbeslissing is ongegrond.
Un dossier d'appel a été ouvert avec la référence BC/26-0318