Ga verder naar de inhoud

KC09/26-0097

Fondée KC - Gent Commission des plaintes Disciplinaire
TUCHT - BEWIJS - VERMOEDEN VAN ONSCHULD - KWALIFICATIE TUCHTINBREUK
Klager kreeg een tuchtsanctie voor twee tuchtinbreuken, nl. “het bezit van of de handel in door of krachtens de wet verboden voorwerpen of substanties” en “het veroorzaken van lawaaihinder die het goede verloop van de activiteiten van de gevangenis verstoort”. De klachtencommissie meent dat duidelijk vaststaat dat klager zich schuldig maakte aan de tuchtinbreuk “het veroorzaken van lawaaihinder die het goede verloop van de activiteiten van de gevangenis verstoort”. Het RAD is zeer duidelijk opgesteld en meent dat de directie op basis hiervan de tuchtsanctie kan opleggen.

Met betrekking tot de tuchtinbreuk “het bezit van of de handel in door of krachtens de wet verboden voorwerpen of substanties” meent de klachtencommissie dat de directie echter onvoldoende heeft aangetoond dat de tuchtinbreuk toerekenbaar is aan klager. Klager brengt een overtuigend element aan voor zijn onschuld, maar dit wordt verder niet onderzocht of gemotiveerd door de directie in de motivering van de tuchtbeslissing. De klachtencommissie meent dan ook dat de directie het vermoeden van onschuld heeft geschonden door onvoldoende aan te tonen dat de tuchtinbreuk individueel toegerekend kan worden aan klager. Deze tuchtinbreuk wordt dan ook geschrapt.

De klacht is gedeeltelijk gegrond.