Ga verder naar de inhoud

KC09/26-0023

Fondée KC - Gent Commission des plaintes Mesure de sécurité particulière
FOUILLE LICHAAM - MOTIVERING - VOORLOPIGE MAATREGEL - TUCHT - GEÏNTERNEERDE - BIJZONDERE VEILIGHEIDSMAATREGEL
De klacht is ten eerste gericht tegen een fouillering op het lichaam. De klachtencommissie stelt vast dat de schriftelijke beslissing tot fouillering op het lichaam geen individuele aanwijzingen bevat dat klager bepaalde zaken verborgen zou hebben op het lichaam. De beslissing motiveert enkel waarom een fouillering aan de kledij niet volstaat om bepaalde voorwerpen te vinden. De klachtencommissie treedt de advocaat van klager bij wanneer deze stelt dat de fouillering op het lichaam wellicht werd opgelegd louter en alleen omdat klager in de beveiligde cel werd geplaatst. De klachtencommissie benadrukt echter dat een procedure waarbij gedetineerden steeds naakt gefouilleerd worden bij de plaatsing in de beveiligde cel of de strafcel, niet toegestaan is. De klacht tegen de fouillering op het lichaam is gegrond.

De klacht is ten tweede gericht tegen een voorlopige maatregel tot plaatsing in de beveiligde cel. Deze vond plaats naar aanleiding van een gevecht op de cel van klager. De klachtencommissie meent dat de motivering van de voorlopige maatregel zeer summier is, maar dat hieruit voldoende blijkt dat het gaat om een ernstige en opzettelijke aantasting van de interne veiligheid. De klacht tegen de voorlopige maatregel is ongegrond.

De klacht is ten derde gericht tegen de tuchtbeslissing die hierop volgde. Klager is geïnterneerd. De Basiswet stelt dat een gedetineerde (in dit geval: geïnterneerde) enkel schuldig kan worden verklaard aan de hem ten laste gelegde tuchtinbreuk “wanneer de directeur, op grond van al het bewijsmateriaal waarover hij beschikt, de ten laste feiten bewezen acht en de daarvoor ter verantwoording geroepen gedetineerde daaraan schuldig acht.” Dit houdt concreet onder meer in dat de directie moet nagaan of een gedetineerde wel verantwoordelijk geacht kan worden voor zijn daden. De verantwoordelijkheid voor de feiten, die voor het opleggen van een tuchtsanctie vereist is, ontbreekt mogelijk bij de geïnterneerde gelet op zijn statuut. Het is aan de directie om te motiveren in haar tuchtbeslissing waarom zij de geïnterneerde, ondanks zijn statuut, toch verantwoordelijk acht voor zijn daden. De klachtencommissie is in dit dossier echter van oordeel dat de directie dit onvoldoende heeft gemotiveerd in haar tuchtbeslissing. De directie haalt geen concrete elementen aan die aantonen dat klager helder en bewust was op het moment van de feiten en dus over vrije wil en oordeelsvermogen beschikte en er bewust voor gekozen heeft de feiten te plegen. De tuchtbeslissing voldoet niet aan de wettelijke voorwaarden, waardoor de klacht gegrond is.

De klacht is ten slotte gericht tegen een bijzondere veiligheidsmaatregel. Deze bijzondere veiligheidsmaatregel werd opgelegd nadat de klachtencommissie de uitvoering van de tuchtbeslissing had geschorst. De klachtencommissie stelt ten eerste vast dat er onduidelijkheid is over de vraag of klager regelmatig gehoord werd voorafgaand aan het opleggen van deze BVM. Ten tweede is de klachtencommissie van oordeel dat de directie onvoldoende heeft gemotiveerd waarom zij op dat moment van oordeel was dat klager een acuut risico voor de veiligheid vormde waardoor een BVM noodzakelijk was. De klachtencommissie meent daarentegen dat de directie met de opgelegde BVM de ATV-sanctie wenst verder te zetten, terwijl deze geschorst werd door de klachtencommissie. De veiligheidsmaatregel heeft in de praktijk immers dezelfde uitwerking als de ATV-sanctie. Hoewel het nodig kan zijn om een BVM op te leggen om aan een belangrijk veiligheidsrisico tegemoet te komen, kan het niet de bedoeling zijn om deze maatregel op te leggen om de schorsing van de klachtencommissie te omzeilen. Ten derde stelt de klachtencommissie vast dat de directie in haar BVM verschillende veiligheidsmaatregelen oplegt zonder enige nuance en zonder te overwegen of deze noodzakelijk zijn. Het is echter aan de directie om te motiveren waarom zij bepaalde maatregelen noodzakelijk acht. De klacht tegen de bijzondere veiligheidsmaatregel is gegrond.