Ga verder naar de inhoud

KC09/25-0439

Fondée KC - Gent Commission des plaintes Disciplinaire
TUCHT - BIJSTAND ADVOCAAT

De klacht is gericht tegen (een aspect van) een tuchtbeslissing, met name de bijstand van de advocaat tijdens de tuchtprocedure die aanleiding heeft gegeven tot een tuchtbeslissing. Klager beklaagt zich over het feit dat hij tijdens de tuchtrechtelijke hoorzitting niet werd bijgestaan door de advocaat die hij had opgegeven en dat hij zijn advocaat niet op voorhand heeft kunnen spreken. Omdat klager hier niet mee akkoord ging, besloot de directeur een beslissing te nemen zonder hem te horen.

De klachtencommissie stelt vast dat klager bij de mededeling dat er een tuchtprocedure tegen hem werd opgestart de naam opgaf van de advocaat door wie hij wou worden bijgestaan in de tuchtprocedure.

De bijstand van een advocaat betekent, zo volgt uit de collectieve brief 124, dat deze zijn cliënt kan ontmoeten en met hem het dossier kan bespreken, dat hem ter beschikking dient te worden gesteld. Verder wordt bepaald dat, gelet op het belang van de bijstand van een advocaat in het kader van de rechten van verdediging, het verkieslijk is een kort uitstel toe te kennen wanneer dit betekent dat de advocaat aanwezig kan zijn.

De klachtencommissie stelt vast dat de directie, ondanks de expliciete vraag vanuit de klachtencommissie om de oproeping van de advocaat voor de tuchtrechtelijke hoorzitting van 5 september over te maken, geen enkel stuk heeft voorgelegd waaruit blijkt dat de advocaat van klager rechtmatig werd uitgenodigd, hoewel klager wel bij de mededeling inzake de tuchtprocedure had aangegeven door deze advocaat te willen worden bijgestaan. De klachtencommissie kan uit het dossier niet afleiden dat de directie een poging ondernam om de opgegeven advocaat van de tuchthoorzitting te verwittigen. De klachtencommissie kan niet vaststellen dat de directie hierbij de nodige inspanningen heeft geleverd en zorgvuldig heeft gehandeld.

Klager meldt in zijn klacht dat hij niet op voorhand met zijn advocaat heeft gesproken. Dit wordt door de directeur niet ontkend. Bovengenoemde collectieve brief bepaalt nochtans dat de bijstand van een advocaat betekent “dat deze zijn cliënt kan ontmoeten en met hem het dossier kan bespreken”. Dit is in voorliggend dossier niet gebeurd.

De klachtencommissie wenst er ten slotte op te wijzen dat het recht van verdediging fundamenteel is, en dit ongeacht eventuele termijnen. Indien klager – hypothetisch – onder een voorlopige maatregel zou hebben gestaan en hij hierdoor normaliter binnen de 72 uren moest worden gehoord, doet dit alsnog niet af aan het feit dat de directie wel een (kort) uitstel aan de gedetineerde kan voorstellen zodat hij effectief gebruik kan maken van zijn (fundamenteel) recht op verdediging. De termijn van 72 uren is immers geen vervaltermijn: het doet louter de voorlopige maatregel verstrijken, maar verhindert niet dat de tuchtprocedure wordt voortgezet en dat de gedetineerde wordt gehoord binnen zeven dagen na de overhandiging van de kennisgeving dat de tuchtprocedure wordt opgestart. In voorliggend dossier was er bovendien geen sprake van een voorlopige maatregel. Klager werd bovendien reeds gehoord op 5 september 2025 om 11u20, terwijl het RAD pas dateerde van 3 september om 8u20. De directie had dus nog ruim de tijd (vijf dagen) om een uitstel te voorzien en de door klager opgegeven advocaat op te roepen, te meer omdat klager tijdens de hoorzitting expliciet om zijn advocaat vroeg.

Hoewel klager ter zitting werd bijgestaan door een advocaat, meent de klachtencommissie dat de directie, door te handelen zoals boven uiteengezet, het recht op bijstand van klager heeft uitgehold. Dit tast de geldigheid van de tuchtbeslissing aan. Deze vaststelling volstaat om te besluiten tot de vernietiging van de tuchtbeslissing.

De klacht is bijgevolg gegrond. De klachtencommissie vernietigt de tuchtbeslissing van 5 september 2025 een draagt de directie op om deze volledig te verwijderen uit het tuchtregister van klager.