TUCHT - GEINTERNEERDE - MOTIVERING - TOEREKENBAARHEID
Klager kreeg een tuchtsanctie van 7 dagen ATV wegens het veroorzaken van lawaaihinder die het goede verloop van de activiteiten van de gevangenis verstoort.
Klager schrijft in zijn klacht dat hem geen kennis werd gegeven van de “tucht”, dat “de tucht” is doorgegaan zonder hem en dat zijn eigen raadsman niet werd aangesteld. Het dossier bevat de “mededeling aan de gedetineerde inzake de tuchtprocedure”, waarop werd genoteerd dat klager beroep wenste te doen op een bepaalde advocaat (die uiteindelijk ook aanwezig was op de tuchtrechtelijke hoorzitting). Op het formulier werd tevens genoteerd dat klager weigerde het document te ondertekenen. Hieruit leidt de klachtencommissie af dat klager wel degelijk op de hoogte was gebracht van de feiten die hem ten laste werden gelegd en het tijdstip waarop de tuchtrechtelijke hoorzitting zou plaatsvinden.
Klager was inderdaad niet aanwezig op de tuchtrechtelijke hoorzitting. Uit het dossier blijkt dat hij weigerde te verschijnen; dit volgt zowel uit het verslag van de tuchtrechtelijke hoorzitting als uit bijkomende informatie die de advocaat van klager aan de klachtencommissie verschafte. De advocaat bevestigde dat zij aanwezig was op de tuchtrechtelijke hoorzitting en dat klager weigerde naar de hoorzitting te komen, ook nadat zij aan een beambte vroeg om haar cliënt te gaan halen.
Daarnaast beweert klager dat hij de uitspraak niet heeft ontvangen. De directie bezorgde aan de klachtencommissie een kopie van de tuchtbeslissing, waarop werd genoteerd dat het document aan klager op 3 juli 2025 werd overhandigd, maar dat hij weigerde dit te ondertekenen. De klachtencommissie leidt hieruit af dat klager wel degelijk op de hoogte werd gebracht van de tuchtbeslissing.
Klager haalt in zijn klacht aan dat hij niet gezien werd door een psychiater voor de tuchtzitting. De klachtencommissie wenst klager erop te wijzen dat het geen standaardverplichting is om een psychiater te raadplegen in elke tuchtprocedure ten aanzien van een geïnterneerde. De directie moet echter wel motiveren waarom de tuchtfeiten aan de betrokken geïnterneerde kunnen worden toegerekend. Een verslag van een psychiater kan daarbij nuttig – en in bepaalde gevallen nodig - zijn.
De Basiswet stelt dat een gedetineerde (in dit geval: geïnterneerde) enkel schuldig kan worden verklaard aan de hem ten laste gelegde tuchtinbreuk “wanneer de directeur, op grond van al het bewijsmateriaal waarover hij beschikt, de ten laste feiten bewezen acht en de daarvoor ter verantwoording geroepen gedetineerde daaraan schuldig acht.” Het tuchtregime uit de Basiswet is ook van toepassing op geïnterneerden, gelet op het uitblijven van een specifieke regelgeving van hun interne rechtspositie. De daden die gedetineerden stellen tijdens de uitvoering van hun internering, zoals daden die een tuchtinbreuk kunnen uitmaken, zijn evenwel niet zomaar toerekenbaar aan de geïnterneerde. De verantwoordelijkheid voor de feiten, die voor het opleggen van een tuchtsanctie vereist is, ontbreekt mogelijks bij de geïnterneerde.
Gezien klager geïnterneerd is, is er minstens een vermoeden dat zijn handelen het gevolg is van een (psychiatrische) problematiek. Er wordt echter niet aangehaald met welke psychiatrische problemen klager kampte of wat de gevolgen daarvan konden zijn. Het is dan ook een raadsel hoe de directie heeft geoordeeld dat de (psychiatrische) problematiek van klager géén impact op zijn gedrag had.
De tuchtbeslissing voldoet niet aan de wettelijke voorwaarden, waardoor de klacht gegrond is.
Klager kreeg een tuchtsanctie van 7 dagen ATV wegens het veroorzaken van lawaaihinder die het goede verloop van de activiteiten van de gevangenis verstoort.
Klager schrijft in zijn klacht dat hem geen kennis werd gegeven van de “tucht”, dat “de tucht” is doorgegaan zonder hem en dat zijn eigen raadsman niet werd aangesteld. Het dossier bevat de “mededeling aan de gedetineerde inzake de tuchtprocedure”, waarop werd genoteerd dat klager beroep wenste te doen op een bepaalde advocaat (die uiteindelijk ook aanwezig was op de tuchtrechtelijke hoorzitting). Op het formulier werd tevens genoteerd dat klager weigerde het document te ondertekenen. Hieruit leidt de klachtencommissie af dat klager wel degelijk op de hoogte was gebracht van de feiten die hem ten laste werden gelegd en het tijdstip waarop de tuchtrechtelijke hoorzitting zou plaatsvinden.
Klager was inderdaad niet aanwezig op de tuchtrechtelijke hoorzitting. Uit het dossier blijkt dat hij weigerde te verschijnen; dit volgt zowel uit het verslag van de tuchtrechtelijke hoorzitting als uit bijkomende informatie die de advocaat van klager aan de klachtencommissie verschafte. De advocaat bevestigde dat zij aanwezig was op de tuchtrechtelijke hoorzitting en dat klager weigerde naar de hoorzitting te komen, ook nadat zij aan een beambte vroeg om haar cliënt te gaan halen.
Daarnaast beweert klager dat hij de uitspraak niet heeft ontvangen. De directie bezorgde aan de klachtencommissie een kopie van de tuchtbeslissing, waarop werd genoteerd dat het document aan klager op 3 juli 2025 werd overhandigd, maar dat hij weigerde dit te ondertekenen. De klachtencommissie leidt hieruit af dat klager wel degelijk op de hoogte werd gebracht van de tuchtbeslissing.
Klager haalt in zijn klacht aan dat hij niet gezien werd door een psychiater voor de tuchtzitting. De klachtencommissie wenst klager erop te wijzen dat het geen standaardverplichting is om een psychiater te raadplegen in elke tuchtprocedure ten aanzien van een geïnterneerde. De directie moet echter wel motiveren waarom de tuchtfeiten aan de betrokken geïnterneerde kunnen worden toegerekend. Een verslag van een psychiater kan daarbij nuttig – en in bepaalde gevallen nodig - zijn.
De Basiswet stelt dat een gedetineerde (in dit geval: geïnterneerde) enkel schuldig kan worden verklaard aan de hem ten laste gelegde tuchtinbreuk “wanneer de directeur, op grond van al het bewijsmateriaal waarover hij beschikt, de ten laste feiten bewezen acht en de daarvoor ter verantwoording geroepen gedetineerde daaraan schuldig acht.” Het tuchtregime uit de Basiswet is ook van toepassing op geïnterneerden, gelet op het uitblijven van een specifieke regelgeving van hun interne rechtspositie. De daden die gedetineerden stellen tijdens de uitvoering van hun internering, zoals daden die een tuchtinbreuk kunnen uitmaken, zijn evenwel niet zomaar toerekenbaar aan de geïnterneerde. De verantwoordelijkheid voor de feiten, die voor het opleggen van een tuchtsanctie vereist is, ontbreekt mogelijks bij de geïnterneerde.
Gezien klager geïnterneerd is, is er minstens een vermoeden dat zijn handelen het gevolg is van een (psychiatrische) problematiek. Er wordt echter niet aangehaald met welke psychiatrische problemen klager kampte of wat de gevolgen daarvan konden zijn. Het is dan ook een raadsel hoe de directie heeft geoordeeld dat de (psychiatrische) problematiek van klager géén impact op zijn gedrag had.
De tuchtbeslissing voldoet niet aan de wettelijke voorwaarden, waardoor de klacht gegrond is.