KC09/24-0019
Fondée
Compensation
KC - Gent
Commission des plaintes
Disciplinaire
TUCHT - BEWIJS - TEGEMOETKOMING
Klaagster werd tuchtrechtelijk gesanctioneerd voor zaken die zij in een gesprek met een medegedetineerde over een andere medegedetineerde gezegd zou hebben. De inhoud van dat gesprek werd neergeschreven in een rapport aan de directeur (“RAD”). Volgens klaagster werden de feiten in het RAD echter niet rechtstreeks vastgesteld door de opsteller ervan.
Noch in het verweer, noch tijdens de hoorzitting van de klachtencommissie ontkent de directie dat het inderdaad zou kunnen dat het RAD niet omschrijft wat de beambte zélf gehoord heeft. Voor de klachtencommissie is het op basis van het RAD alleszins niet duidelijk of de beambte heeft genoteerd wat ze zelf gehoord heeft, dan wel heeft opgeschreven wat er haar door iemand anders werd meegedeeld. Klaagster maakt aannemelijk dat de beambte die het RAD opstelde zelf niet aanwezig was bij het gesprek dat zij had met een medegedetineerde. Dit wordt door de directie niet ontkracht.
De directie kon zich dus enerzijds niet louter baseren op het RAD om de feiten als bewezen te beschouwen. Bovendien toont de directie ook op geen enkele manier aan in welke mate de feiten een tuchtinbreuk uitmaken.
Bij gebreke aan bewezen tuchtrechtelijke inbreuk is de tuchtbeslissing onwettig. De klacht is gegrond. De klachtencommissie vernietigt de tuchtbeslissing en draagt de directie op deze uit het tuchtregister van klaagster te wissen.
Gezien de gevolgen van de vernietigde beslissing niet meer ongedaan kunnen gemaakt worden (klaagster verbleef 7 dagen onterecht effectief afgezonderd op de haar toegewezen verblijfsruimte) kent de klachtencommissie aan klaagster de volgende tegemoetkoming toe: de persoonlijke make-up en schoonheidsproducten die klaagster aan het onthaal van de gevangenis heeft afgegeven, worden aan haar ter beschikking gesteld zodat zij deze kan gebruiken in haar verblijfsruimte.
Klaagster werd tuchtrechtelijk gesanctioneerd voor zaken die zij in een gesprek met een medegedetineerde over een andere medegedetineerde gezegd zou hebben. De inhoud van dat gesprek werd neergeschreven in een rapport aan de directeur (“RAD”). Volgens klaagster werden de feiten in het RAD echter niet rechtstreeks vastgesteld door de opsteller ervan.
Noch in het verweer, noch tijdens de hoorzitting van de klachtencommissie ontkent de directie dat het inderdaad zou kunnen dat het RAD niet omschrijft wat de beambte zélf gehoord heeft. Voor de klachtencommissie is het op basis van het RAD alleszins niet duidelijk of de beambte heeft genoteerd wat ze zelf gehoord heeft, dan wel heeft opgeschreven wat er haar door iemand anders werd meegedeeld. Klaagster maakt aannemelijk dat de beambte die het RAD opstelde zelf niet aanwezig was bij het gesprek dat zij had met een medegedetineerde. Dit wordt door de directie niet ontkracht.
De directie kon zich dus enerzijds niet louter baseren op het RAD om de feiten als bewezen te beschouwen. Bovendien toont de directie ook op geen enkele manier aan in welke mate de feiten een tuchtinbreuk uitmaken.
Bij gebreke aan bewezen tuchtrechtelijke inbreuk is de tuchtbeslissing onwettig. De klacht is gegrond. De klachtencommissie vernietigt de tuchtbeslissing en draagt de directie op deze uit het tuchtregister van klaagster te wissen.
Gezien de gevolgen van de vernietigde beslissing niet meer ongedaan kunnen gemaakt worden (klaagster verbleef 7 dagen onterecht effectief afgezonderd op de haar toegewezen verblijfsruimte) kent de klachtencommissie aan klaagster de volgende tegemoetkoming toe: de persoonlijke make-up en schoonheidsproducten die klaagster aan het onthaal van de gevangenis heeft afgegeven, worden aan haar ter beschikking gesteld zodat zij deze kan gebruiken in haar verblijfsruimte.