Ga verder naar de inhoud

KC09/23-0093

Non fondée Fondée Irrecevable KC - Gent Commission des plaintes Autre décision directeur Mesure provisoire Disciplinaire Mesure d'ordre Fouille à corps
ORDEMAATREGEL - VOORLOPIGE MAATREGEL - DWANG - UITVOERING - FOUILLE LICHAAM - TUCHT - GEÏNTERNEERDE - MOTIVERING

De klacht is gericht tegen volgende beslissingen van de directie: 1) een ordemaatregel, 2) een voorlopige maatregel tot plaatsing in een beveiligde cel en dit 3) onder dwang, met tussenkomst van een interventieteam, 4) een fouille op het lichaam en 5) een tuchtbeslissing.

De klacht over de ordemaatregel is tevens het voorwerp van een eerder dossier van klager. De klachtencommissie verwijst naar haar beslissing in dat dossier, waarbij zij de klacht ontvankelijk maar ongegrond verklaarde. De klachtencommissie heeft zich met andere woorden reeds uitgesproken over deze klacht. De klacht is niet-ontvankelijk.

De klacht over de plaatsing van klager in een beveiligde cel bij wijze van voorlopige maatregel, is ontvankelijk maar ongegrond.
In voorliggende zaak besloot de directie een voorlopige maatregel van plaatsing in de beveiligde cel op te leggen omdat klager onophoudelijk en heel hevig op de deur van zijn cel begon te bonken en voor geen rede meer vatbaar was. De klachtencommissie is van oordeel dat de directie op basis van deze vaststellingen terecht kon besluiten dat de interne veiligheid door klager in gevaar werd gebracht en dat de veiligheidsmaatregel gerechtvaardigd was.

De directie betwist niet dat zij besliste dat klager in het kader van een voorlopige maatregel, met behulp van een interventieteam naar de beveiligde cel diende te worden overgebracht. Uit het voorgaande vloeit voort dat de klachtencommissie in ieder geval bevoegd is om te oordelen over de wettigheid, redelijkheid en billijkheid van de beslissing tot het inschakelen van het interventieteam. Deze beslissing omvat tevens de uitvoering van deze bevolen maatregel, aangezien dit feitelijk handelen betreft dat onmiskenbaar in verbinding staat met een beslissing van
de directeur, meer bepaald het inschakelen van het interventieteam voor het plaatsen van klager in een beveiligde cel bij wijze van voorlopige maatregel. De klacht is ontvankelijk.

Er moet bij toepassing van maatregelen van rechtstreekse dwang melding worden gemaakt in een bijzonder register met precisering van de omstandigheden die tot het nemen van de veiligheidsmaatregel aanleiding hebben gegeven, het tijdstip waarop de maatregel werd genomen en de duur van de maatregel. Het bijzonder register wordt ter beschikking gehouden van de voorzitter van de Commissie van toezicht, van de maandcommissaris en van de andere controlerende instanties. Bij gebrek aan enig schriftelijk document van de directie of vermelding in dit bijzonder register, kan de klachtencommissie niet nagaan waarom de directie van oordeel was dat de plaatsing met dwang gepaard diende te gaan, welke maatregelen van dwang werden bevolen en welke maatregelen in de praktijk werden toegepast en waarom. De klachtencommissie kan hierdoor geen daadwerkelijke controle uitoefenen op de wettigheid, redelijkheid en billijkheid van de bijkomende (mondelinge) instructies van de directie om haar beslissing door middel van dwang / door tussenkomst van een interventieteam te laten uitvoeren.
De klacht is daarom gegrond.

De klacht over de beslissing tot fouillering op het lichaam is ontvankelijk en gegrond. Het is onwettig om stelselmatig een fouillering op het lichaam op te leggen bij een plaatsing in een beveiligde cel of strafcel, zonder dat het gedrag van de gedetineerde daartoe aanleiding geeft.

De klacht over de tuchtbeslissing is ontvankelijk en gegrond.
In tegenstelling tot de directie kan de klachtencommissie uit de RAD niet afleiden dat klager coherent was op het moment van de feiten. In de RAD wordt beschreven dat klager onophoudelijk met een mes op het winket klopte, slaande bewegingen maakte en probeerde bijten naar een lid van het interventieteam. In de beslissing tot voorlopige maatregel wordt ook gesteld dat klager “voor geen rede vatbaar” was. Hieruit blijken voor de klachtencommissie eerder indicaties dat klager juist niet “coherent” was op het moment van de feiten. De directie motiveert naar het oordeel van de klachtencommissie dus niet waarom de feiten, ondanks het statuut van klager als geïnterneerde, aan klager konden worden toegerekend. Er worden geen documenten of verklaringen toegevoegd of getuigen bevraagd waaruit meer duidelijkheid kon blijken over de toestand van klager op het moment van het plegen van de tuchtrechtelijke inbreuk. De tuchtbeslissing voldoet niet aan de wettelijke voorwaarden, waardoor de klacht gegrond is.