KC09/23-0088
Non fondée
Fondée
Irrecevable
KC - Gent
Commission des plaintes
Mesure provisoire
Disciplinaire
Pas de décision du directeur
Fouille à corps
FOUILLE LICHAAM - MOTIVERING - VOORLOPIGE MAATREGEL - TUCHT - VERBODEN SUBSTANTIES - GEEN BESLISSING DIRECTEUR - BEVOEGDHEID
Klager dient klacht in tegen een tuchtrapport of “rapport aan de directeur” (“RAD”). Een RAD wordt opgesteld door penitentiair beambten en is geen beslissing van de directeur. De directeur beslist welk gevolg zij al dan niet aan een RAD koppelt.
De klacht is niet-ontvankelijk.
De individuele beslissing van de directie tot fouillering op het lichaam van klager werd als volgt gemotiveerd: “bijhorende fouillering op het lichaam na onderzoek van de verblijfsruimte”. Uit deze summiere vermelding blijkt niet waarom in het specifieke geval van klager een fouillering op zijn lichaam gerechtvaardigd was. De klachtencommissie wil best geloven dat de directie in de praktijk wel degelijk over individuele aanwijzingen beschikte en dat de redenen die in het verweer worden omschreven, inderdaad reeds bestonden vooraleer tot fouillering op het lichaam van klager werd overgegaan. De directie kan dit echter niet aantonen. De klachtencommissie wijst er bovendien op dat de motiveringsplicht ook tot doel heeft de gedetineerde te doen begrijpen waarom de beslissing ten aanzien van hem werd genomen. De beslissing tot fouillering op het lichaam is in strijd met de Basiswet.
De klacht is gegrond. De klachtencommissie vernietigt de beslissing.
In voorliggende zaak wordt voor de motivatie van de veiligheidsmaatregel verwezen naar het gegeven dat verboden substantie werd gevonden in het ondergoed en op de cel van klager. De klachtencommissie is van oordeel dat de directie op basis van deze informatie, gelet op het bezit van verschillende verboden en verdachte substanties, onder andere in een ruimte met verschillende andere gedetineerden (tijdens de beweging in het centrum), terecht oordeelde dat de interne veiligheid door klager in gevaar werd gebracht en dat een veiligheidsmaatregel gerechtvaardigd was.
De klacht is ongegrond. De beslissing van de directeur blijft bestaan.
In de tuchtbeslissing wordt klager schuldig bevonden aan het bezit van of de handel in door of krachtens de wet verboden voorwerpen of substanties.
De directie baseerde zich hiervoor op de 2 RAD, waarin de vondst van verboden substanties naar aanleiding van een fouille op het lichaam en een celcontrole wordt beschreven. In het RAD met betrekking tot de celcontrole staat zeer duidelijk dat klager bevestigde dat de gevonden substantie van hem was. Tijdens de tuchtrechtelijke hoorzitting bevestigde klager nogmaals dat hij gezegd had “Jaja, dat is allemaal van mij”, maar dat dit cynisch bedoeld was. Gezien er effectief verboden substantie werd gevonden in de onderbroek van klager en gezien de directie zich niet uitsluitend hierop heeft gebaseerd, maar daarnaast ook op de bijna gelijktijdige vondst van verboden substantie in zijn cel, waarvan het bezit eerst door klager erkend werd, is de klachtencommissie van oordeel dat de directie over voldoende elementen beschikte om klager schuldig te bevinden aan de tuchtrechtelijke inbreuk. De directie heeft haar zorgvuldigheidsplicht niet geschonden door niet eerst de celgenoot te horen. De klachtencommissie acht de tuchtbeslissing daarom niet onwettig.
De tuchtsanctie van 30 dagen ATV is streng maar gelet op de aard van de tuchtrechtelijke inbreuk niet onredelijk.
De klacht is ongegrond. De tuchtbeslissing blijft bestaan.
Klager dient klacht in tegen een tuchtrapport of “rapport aan de directeur” (“RAD”). Een RAD wordt opgesteld door penitentiair beambten en is geen beslissing van de directeur. De directeur beslist welk gevolg zij al dan niet aan een RAD koppelt.
De klacht is niet-ontvankelijk.
De individuele beslissing van de directie tot fouillering op het lichaam van klager werd als volgt gemotiveerd: “bijhorende fouillering op het lichaam na onderzoek van de verblijfsruimte”. Uit deze summiere vermelding blijkt niet waarom in het specifieke geval van klager een fouillering op zijn lichaam gerechtvaardigd was. De klachtencommissie wil best geloven dat de directie in de praktijk wel degelijk over individuele aanwijzingen beschikte en dat de redenen die in het verweer worden omschreven, inderdaad reeds bestonden vooraleer tot fouillering op het lichaam van klager werd overgegaan. De directie kan dit echter niet aantonen. De klachtencommissie wijst er bovendien op dat de motiveringsplicht ook tot doel heeft de gedetineerde te doen begrijpen waarom de beslissing ten aanzien van hem werd genomen. De beslissing tot fouillering op het lichaam is in strijd met de Basiswet.
De klacht is gegrond. De klachtencommissie vernietigt de beslissing.
In voorliggende zaak wordt voor de motivatie van de veiligheidsmaatregel verwezen naar het gegeven dat verboden substantie werd gevonden in het ondergoed en op de cel van klager. De klachtencommissie is van oordeel dat de directie op basis van deze informatie, gelet op het bezit van verschillende verboden en verdachte substanties, onder andere in een ruimte met verschillende andere gedetineerden (tijdens de beweging in het centrum), terecht oordeelde dat de interne veiligheid door klager in gevaar werd gebracht en dat een veiligheidsmaatregel gerechtvaardigd was.
De klacht is ongegrond. De beslissing van de directeur blijft bestaan.
In de tuchtbeslissing wordt klager schuldig bevonden aan het bezit van of de handel in door of krachtens de wet verboden voorwerpen of substanties.
De directie baseerde zich hiervoor op de 2 RAD, waarin de vondst van verboden substanties naar aanleiding van een fouille op het lichaam en een celcontrole wordt beschreven. In het RAD met betrekking tot de celcontrole staat zeer duidelijk dat klager bevestigde dat de gevonden substantie van hem was. Tijdens de tuchtrechtelijke hoorzitting bevestigde klager nogmaals dat hij gezegd had “Jaja, dat is allemaal van mij”, maar dat dit cynisch bedoeld was. Gezien er effectief verboden substantie werd gevonden in de onderbroek van klager en gezien de directie zich niet uitsluitend hierop heeft gebaseerd, maar daarnaast ook op de bijna gelijktijdige vondst van verboden substantie in zijn cel, waarvan het bezit eerst door klager erkend werd, is de klachtencommissie van oordeel dat de directie over voldoende elementen beschikte om klager schuldig te bevinden aan de tuchtrechtelijke inbreuk. De directie heeft haar zorgvuldigheidsplicht niet geschonden door niet eerst de celgenoot te horen. De klachtencommissie acht de tuchtbeslissing daarom niet onwettig.
De tuchtsanctie van 30 dagen ATV is streng maar gelet op de aard van de tuchtrechtelijke inbreuk niet onredelijk.
De klacht is ongegrond. De tuchtbeslissing blijft bestaan.