Ga verder naar de inhoud

KC09/22-0009

Fondée KC - Gent Commission des plaintes Disciplinaire
TUCHT - VERBODEN SUBSTANTIES - VERMOEDEN VAN ONSCHULD

Opdat een gedetineerde schuldig wordt bevonden aan een tuchtinbreuk, moet de feitenvinding zorgvuldig gebeuren. Deze zorgvuldige feitenvinding heeft tot doel dat er geen ‘gerede twijfel’ kan bestaan over de schuld van de gedetineerde. Indien er twijfel bestaat over de schuld van een gedetineerde, dan moeten er bijkomende elementen aangebracht worden. Het vermoeden van onschuld houdt namelijk in dat niet de gedetineerde zijn onschuld moet aantonen, maar dat de directeur het bestaan van de tuchtinbreuk en de schuld van de gedetineerde bewezen moet achten. In dit dossier werd een wietgeur waargenomen in de gang ter hoogte van een meerpersoonscel, met name deze van klager en zijn celgenoot. De klager ontkent dat hij wiet heeft gerookt en verwijst voor de geur naar zijn celgenoot. Er werd na de geurwaarneming geen celcontrole of fouille uitgevoerd, noch werd op het moment van de geurwaarneming het winket geopend om over te gaan tot een visuele controle. De Klachtencommissie meent dat de directeur in zo’n geval niet louter kan uitgaan van de geurwaarneming om de klager schuldig te achten aan het bezit van verboden substanties. De feitenvinding diende zorgvuldiger te gebeuren opdat er geen twijfel mogelijk zou zijn over de schuld van de gedetineerde. Een visuele bevestiging van zowel de handeling als de identiteit van de gedetineerde had deze twijfel kunnen wegnemen. De klacht is gegrond.