Ga verder naar de inhoud

KC06/26-0150

Fondée KC - Dendermonde Commission des plaintes Mesure d'ordre
ORDEMAATREGEL - BEZOEK - MOTIVERING

Artikel 59 van de Basiswet regelt de mogelijkheid tot het voorlopig ontzeggen van bezoek. Dit artikel maakt een onderscheid tussen bloed- en aanverwanten in de rechte lijn, de voogd, echtgenoot, wettelijk of feitelijk samenwonende partner, broers, zusters, ooms en tantes enerzijds (eerste categorie) en tussen ‘andere bezoekers’ anderzijds (tweede categorie).

Artikel 59, § 1, tweede lid bepaalt dat de directeur het bezoek ten aanzien van de eerste categorie van personen enkel voorlopig kan ontzeggen, wanneer er geïndividualiseerde aanwijzingen bestaan dat het bezoek de handhaving van de orde of de veiligheid ernstig in gevaar kan brengen en wanneer de nadere regels voor het bezoek die bepaald zijn in artikel 60, § 3 ontoereikend zijn om dit gevaar af te wenden. Artikel 59, § 3 van de Basiswet bepaalt dat de voorlopige ontzegging of weigering schriftelijk moet gebeuren en met redenen moet worden omkleed.

Artikel 59, § 2 bepaalt dat de directeur het bezoek ten aanzien van de tweede categorie van personen kan weigeren wanneer de betrokken persoon geen gerechtvaardigd belang kan aantonen of wanneer er geïndividualiseerde aanwijzingen bestaan dat het bezoek de handhaving van de orde of de veiligheid ernstig in gevaar kan brengen en de nadere regels voor het bezoek, bepaald in artikel 60, § 3, ontoereikend zijn om dit gevaar af te wenden. Artikel 59, § 3 van de Basiswet bepaalt bovendien dat een dergelijke weigering schriftelijk moet gebeuren en met redenen moet worden omkleed.

De klachtencommissie stelt echter vast dat de directie in de ordemaatregel nergens specifieert tot welke categorie de betrokken bezoekster behoort.

De klachtencommissie is ook van oordeel dat de motivering van de ordemaatregel niet voldoet aan de vereisten van artikel 59 van de Basiswet. Uit de motivering blijkt niet waarom de in artikel 60, § 3 van de Basiswet voorziene nadere bezoekregeling, met name glasbezoek, ontoereikend zou zijn om het aangehaalde veiligheidsrisico af te wenden. De directeur stelt dat glasbezoek het risico niet afdoende zou ondervangen, maar motiveert dit niet concreet. Integendeel, de directeur erkent zelf dat glasbezoek het rechtstreeks fysiek contact beperkt, zonder uit te leggen op welke wijze ondanks die beperking nog een veiligheidsrisico zou blijven bestaan.

Bovendien verwijst de directeur in haar verweer naar het feit dat klager ‘door haar eerdere handelen heeft aangetoond bereid te zijn de geldende regels en veiligheidsvoorschriften te omzeilen’. Deze passage is onduidelijk. De beslissing heeft betrekking op een mannelijke klager, terwijl wordt verwezen naar ‘haar’ eerdere handelen. Het is dan ook niet duidelijk of deze overweging daadwerkelijk betrekking heeft op klager. De klachtencommissie merkt ook op dat niet wordt verduidelijkt welk eerder handelen aan deze overweging ten grondslag ligt.

De klacht is om bovenstaande redenen gegrond.

De klachtencommissie vernietigt de ordemaatregel. De klachtencommissie draagt de directeur, in toepassing van artikel 158, §3, 1° van de Basiswet, op om binnen de twee na de betekening van deze beslissing van de klachtencommissie een nieuwe beslissing te nemen met inachtneming van deze uitspraak.