Ga verder naar de inhoud

KC06/26-0147

Fondée KC - Dendermonde Commission des plaintes Disciplinaire
TUCHT - BIJSTAND ADVOCAAT - RECHT VAN VERDEDIGING

Artikel 144, § 4 van de Basiswet bepaalt dat de gedetineerde het recht heeft om zich tijdens de tuchtprocedure te laten bijstaan door een advocaat. Dit is een essentieel rechtsbeginsel, dat ook in de praktijk mogelijk gemaakt moet worden. Van zodra de directie klager op 04/06/2026 heeft meegedeeld dat ze een tuchtprocedure zou starten, heeft klager aangegeven dat hij wenste te worden bijgestaan door zijn eigen advocaat. Diezelfde dag werd een uitnodiging verstuurd voor de zitting van 05/06/2026 naar de gekozen advocaat, waarop de advocaat eveneens dezelfde dag heeft gereageerd. Daarbij heeft de advocaat gevraagd om de tuchtrechtelijke hoorzitting te laten uitstellen, omdat hij diezelfde dag naar de raadkamer moest voor klager. Hierop werd door de gevangenis de boodschap gegeven dat wanneer klager niet kan worden gehoord, de directie van dienst zal beslissen om de zaak uit te stellen.

De directie dient zich te verzekeren van het feit dat een gedetineerde ondubbelzinnig afstand doet van zijn fundamenteel bijstandsrecht en zijn recht om zichzelf te verdedigen. Uit de e-mail van de advocaat blijkt echter duidelijk dat dit net niet het geval was, maar enkel om uitstel werd verzocht. Het feit dat klager op de dag van de tuchtrechtelijke hoorzitting niet wou verschijnen (en het formulier ‘verklaring weigering te worden gehoord’ heeft ondertekend), wijst volgens de klachtencommissie in casu geenszins op het feit dat hij afstand deed van zijn recht van verdediging, noch van zijn bijstandsrecht. Uit de observatiefiche van 05/06/2026 blijkt immers uitdrukkelijk dat klager heeft aangegeven niet te wensen verschijnen voor de directie net omdat ‘hij verneemt dat zijn advocaat niet aanwezig is’. De klachtencommissie kan de redenering van de directie niet volgen in die zin dat klager toch naar de tuchtrechtelijke hoorzitting had moeten komen, enkel om daar te zeggen dat hij uitstel zou willen, zodat zijn eigen advocaat aanwezig kon zijn. Zijn advocaat had immers reeds per e-mail dd. 04/06/2026 om uitstel gevraagd en uit het antwoord van de gevangenis hierop blijkt evenmin dat klager op de tuchtrechtelijke hoorzitting zou moeten aanwezig zijn om daar vervolgens uitstel te vragen.

Het feit dat klager het voorwerp uitmaakte van een voorlopige maatregel, waarbij hij inderdaad overeenkomstig artikel 144, § 5 van de Basiswet in principe binnen de 72 uur nadat deze in werking is getreden, gehoord moet worden, is nog geen verantwoording om de zaak te behandelen zonder de aanwezigheid van klager of zijn advocaat, net omdat zij expliciet en tijdig om uitstel hebben gevraagd. De directie had een eenmalig uitstel kunnen verlenen en de hoorzitting kort kunnen uitstellen om klager alsnog in de gelegenheid te stellen zijn eigen advocaat te raadplegen.

De klachtencommissie is dan ook van oordeel dat uit dit dossier geen ondubbelzinnige afstand van het recht op bijstand blijkt. Integendeel, er werd tijdig en expliciet verzocht om de zaak kort uit te stellen. De klachtencommissie acht het daarom onredelijk dat de directie geen eenmalig uitstel heeft verleend om de bijstand van klagers eigen advocaat mogelijk te maken. Bijgevolg is er sprake van een schending van het recht van verdediging en het fundamentele recht op bijstand van klager. Om deze redenen is de klacht gegrond.

De klachtencommissie vernietigt de tuchtbeslissing van 05/06/2026 en draagt de directeur overeenkomstig artikel 158, § 3, 1° van de Basiswet op om, binnen de termijn van twee weken na de betekening van deze beslissing aan de directie, een nieuwe beslissing te nemen met inachtneming van deze uitspraak.

Gelet op de vernietiging van de tuchtbeslissing, zijn de voorwaarden tot toekenning van een compensatie vervuld. Klager heeft echter geen tegemoetkoming op zijn klachtenformulier gevraagd. Bovendien werd de beslissing van de klachtencommissie bij hoogdringendheid genomen en werd zo de nog lopende tuchtsanctie vernietigd, waardoor de klachtencommissie van oordeel is dat er geen tegemoetkoming moet worden toegekend.

De uitvoering van de tuchtbeslissing moet binnen de 24 uur na de betekening van deze beslissing worden beëindigd.