Ga verder naar de inhoud

KC06/26-0112

Fondée KC - Dendermonde Commission des plaintes Disciplinaire
TUCHT - KWALIFICATIE INBREUK

De klachtencommissie oordeelt evenwel dat er geen sprake is van een opzettelijke aantasting van de orde. Klager is gedurende het hele voorval rustig gebleven. Reeds vóór het bezoek had hij de chef gevraagd ervoor te zorgen dat de betrokken medegedetineerde zijn tafel niet zou bedienen, aangezien klager daar met zijn kinderen zat en de betrokken diender veroordeeld is voor zedenfeiten. Toen de diender desondanks toch aan zijn tafel verscheen, vroeg klager hem enkel de dranken neer te zetten en vervolgens de tafel te verlaten. Daarna riep hij opnieuw de chef, die begrip toonde voor zijn standpunt. Ook het RAD ondersteunt deze lezing. Daarin staat: ‘[Naam derde medegedetineerde] is blijven zitten en hielp verbaal om [naam klager] tot rede te brengen zodat deze weer zou gaan zitten. Dit ging vlot, waarna [naam klager] zich onmiddellijk verontschuldigde.’.

Hieruit blijkt niet dat de orde daadwerkelijk werd verstoord. Er was sprake van een mogelijk risico op verstoring van de orde. Een dergelijk risico vormt echter op zichzelf geen tuchtinbreuk. Dit wordt bovendien bevestigd door de directie zelf, die in haar verweer stelt: ‘Het rapport maakt duidelijk melding van risico op escalatie, gelet een medegedetineerde zich mengde, wat wijst op een bepaald volume gedurende het uiten van het standpunt van betrokkene.’.

Daarnaast werd het RAD niet tijdig opgesteld. Artikel 144, § 1 van de Basiswet bepaalt hierover het volgende:

‘Wanneer een lid van het personeel een feit vaststelt waarvan het vermoedt dat het een tuchtrechtelijke inbreuk uitmaakt of wanneer een dergelijke inbreuk hem ter kennis wordt gebracht, stelt hij een rapport op voor de directeur. Hij bezorgt dit rapport zo spoedig mogelijk aan de directeur, die binnen zeven dagen na de ontvangst van dit rapport handelt overeenkomstig.’.

Collectieve Brief nr. 124 betreffende het tuchtregime van gedetineerden verduidelijkt deze verplichting als volgt:

‘Wanneer een personeelslid een feit vaststelt waarvan hij/zij vermoedt dat het een tuchtrechtelijke inbreuk uitmaakt, of wanneer een dergelijke inbreuk hem/haar ter kennis wordt gebracht, stelt hij/zij een rapport op voor de directeur en bezorgt het hem zo spoedig mogelijk, en ten laatste binnen twee dagen, behalve wanneer een voorlopige maatregel wordt opgelegd zoals beschreven in punt VI.’.

In casu werd deze uiterste termijn niet nageleefd. Het RAD werd één uur en twintig minuten na het verstrijken van de maximale termijn van twee dagen opgesteld. De in Collectieve Brief nr. 124 voorgeschreven termijn werd dus overschreden.

Om bovenstaande redenen is de klacht gegrond.