Ga verder naar de inhoud

KC06/26-0073

Non fondée Fondée KC - Dendermonde Commission des plaintes Mesure provisoire Disciplinaire
VOORLOPIGE MAATREGEL - TUCHT

Wat betreft de voorlopige maatregel:

De directie heeft een voorlopige maatregel opgelegd op grond van het aanzetten tot of het voeren van collectieve acties, die de veiligheid in de gevangenis ernstig in gevaar brengen. In die context werd klager uitgesloten van deelname aan alle gemeenschappelijke activiteiten en geplaatst in de beveiligde cel.

Uit de motivering van de bestreden beslissing blijkt dat de voorlopige maatregel werd verantwoord door het gedrag van klager, bestaande uit het activeren van het brandalarm, het veroorzaken van nachtelijk lawaai, beledigende en bedreigende uitlatingen en het verstoren van de nachtrust op de vleugel. De directie motiveerde de maatregel uitdrukkelijk met de overweging dat deze noodzakelijk was ‘om verdere verstoring van de orde en veiligheid te voorkomen’.

De klachtencommissie stelt vast dat uit geen enkel element van het dossier blijkt dat klager medegedetineerden heeft aangezet tot collectieve acties of dat hij heeft deelgenomen aan dergelijke acties. Evenmin wordt dit in de motivering van de beslissing vermeld. De feiten waarop de directie zich beroept, hebben uitsluitend betrekking op individueel gedrag van klager dat aanleiding gaf tot een verstoring van de orde of de veiligheid binnen de inrichting.

Artikel 145 van de Basiswet maakt een onderscheid tussen enerzijds situaties van een ernstige en opzettelijke aantasting van de interne veiligheid of het aanzetten tot of voeren van collectieve acties waardoor de veiligheid van de gevangenis ernstig in gevaar wordt gebracht, en anderzijds situaties waarin sprake is van gevaar voor de orde of de veiligheid. Enkel in de eerste twee gevallen kan de directeur alle bijzondere veiligheidsmaatregelen van artikel 112, § 1 opleggen, waaronder het verplicht verblijf in de verblijfsruimte en de onderbrenging in een beveiligde cel. In geval van gevaar voor de orde of de veiligheid beperkt artikel 145 de mogelijke voorlopige maatregelen uitdrukkelijk tot de maatregelen bedoeld in artikel 112, § 1, 1°, 2° en 3°, namelijk het ontnemen van voorwerpen, de uitsluiting van activiteiten en de observatie.

De beslissing tot oplegging van de voorlopige maatregel is bijgevolg onwettig en dient te worden vernietigd.

De klacht is om bovengenoemde redenen gegrond.

Aangezien de klachtencommissie oordeelt dat de beslissing tot plaatsing in de beveiligde cel wegens strijdigheid met de Basiswet onwettig is en de plaatsing bijgevolg niet had mogen plaatsvinden, ziet zij geen reden meer om de uitvoering van de voorlopige maatregel afzonderlijk te beoordelen. Die maatregel had immers betrekking op een plaatsing die reeds onwettig wordt geacht. Zij merkt evenwel op dat uit de stukken blijkt dat klager gedurende één nacht in de beveiligde cel verbleef zonder matras, hetgeen op ernstige wijze vragen oproept omtrent de eerbiediging van de menselijke waardigheid.

Wat betreft de tuchtbeslissing:

Klager werd tuchtrechtelijk gesanctioneerd voor: ‘de opzettelijke aantasting van de fysieke integriteit van personen, of de bedreiging daarmee’, ‘de opzettelijke beschadiging of vernieling van andermans roerende of onroerende goederen, of de bedreiging daarmee’ en ‘de opzettelijke aantasting van de orde’, zijnde tuchtinbreuken van de eerste categorie. Daarnaast werd hij gesanctioneerd wegens het ‘geen gevolg geven aan de aanmaningen en de bevelen van het personeel’ en ‘het veroorzaken van lawaaihinder die het goede verloop van de activiteiten van de gevangenis verstoort’, zijnde inbreuken van de tweede categorie.

De klachtencommissie is van oordeel dat de directeur op redelijke wijze heeft kunnen besluiten dat klager schuldig is aan de hem ten laste gelegde tuchtinbreuken. Uit de verschillende rapporten aan de directeur blijkt immers dat er gedurende meerdere dagen herhaaldelijk klachten werden geformuleerd over het gedrag van klager. Daarbij valt op dat klager zijn gedrag bleef voortzetten, ondanks herhaalde aanmaningen en verzoeken van het personeel om hiermee te stoppen. De gerapporteerde feiten wijzen op een voortdurende verstoring van de orde en rust binnen de inrichting, in het bijzonder door het veroorzaken van nachtlawaai, waardoor de nachtrust van medegedetineerden werd verstoord. Daarnaast bevatten de rapporten meerdere gevallen van beledigende en bedreigende uitlatingen ten aanzien van personeelsleden. Verder blijkt uit de stukken dat klager door het herhaaldelijk activeren van het brandalarmsysteem een reëel risico creëerde op vertraging bij een daadwerkelijk noodincident. Ten slotte heeft klager tijdens de tuchtrechtelijke hoorzitting zelf erkend dat hij zich ongepast heeft gedragen en uitgelaten.