KC06/26-0072
Non fondée
KC - Dendermonde
Commission des plaintes
Disciplinaire
TUCHT
De klacht betreft de tuchtbeslissing van 4 maart 2026 van de directie van de gevangenis van Dendermonde.
In het voorliggend dossier heeft de directeur zich voor het bewezen zijn van de feiten gebaseerd op de materiële vaststellingen zoals opgenomen in het rapport aan de directeur (RAD) van 28 februari 2026.
Het RAD vormt een belangrijke basis als bewijs voor een tuchtrechtelijke inbreuk. De directie mag in de motivering van haar beslissing verwijzen naar een voldoende duidelijk opgesteld RAD. Zij mag op basis daarvan een tuchtsanctie opleggen omdat de directie er redelijkerwijze kan van uitgaan dat deze rapporten een correcte weergave zijn van de feiten, tenzij er overtuigende elementen worden aangevoerd die het tegendeel aantonen (RvS 28 maart 2017, nr. 237.799). Volgens de klachtencommissie brachten klager en zijn advocaat geen elementen aan die doen twijfelen aan de waarachtigheid van het RAD. De klachtencommissie acht het redelijk dat de directie de feiten bewezen achtte.
De directie kwalificeerde de feiten als het zich zonder toelating bevinden in een ruimte buiten de toegestane tijdsperiode of in een ruimte die men niet gerechtigd is te betreden (artikel 130, 4° Basiswet). De klachtencommissie oordeelt dat deze kwalificatie correct is en afdoende gemotiveerd werd. Klager pleegde een inbreuk van de tweede categorie. In geval van een inbreuk van de tweede categorie kan er voor een maximumduur van 15 dagen een afzondering in de aan de gedetineerde toegewezen verblijfsruimte worden opgelegd (artikel 132, 3° Basiswet). Klager kreeg 7 dagen ATV. De klachtencommissie acht deze sanctie wettelijk en, gezien het al de derde keer was dat klager dit gedrag stelde, redelijk. De klacht is ongegrond.
De klacht betreft de tuchtbeslissing van 4 maart 2026 van de directie van de gevangenis van Dendermonde.
In het voorliggend dossier heeft de directeur zich voor het bewezen zijn van de feiten gebaseerd op de materiële vaststellingen zoals opgenomen in het rapport aan de directeur (RAD) van 28 februari 2026.
Het RAD vormt een belangrijke basis als bewijs voor een tuchtrechtelijke inbreuk. De directie mag in de motivering van haar beslissing verwijzen naar een voldoende duidelijk opgesteld RAD. Zij mag op basis daarvan een tuchtsanctie opleggen omdat de directie er redelijkerwijze kan van uitgaan dat deze rapporten een correcte weergave zijn van de feiten, tenzij er overtuigende elementen worden aangevoerd die het tegendeel aantonen (RvS 28 maart 2017, nr. 237.799). Volgens de klachtencommissie brachten klager en zijn advocaat geen elementen aan die doen twijfelen aan de waarachtigheid van het RAD. De klachtencommissie acht het redelijk dat de directie de feiten bewezen achtte.
De directie kwalificeerde de feiten als het zich zonder toelating bevinden in een ruimte buiten de toegestane tijdsperiode of in een ruimte die men niet gerechtigd is te betreden (artikel 130, 4° Basiswet). De klachtencommissie oordeelt dat deze kwalificatie correct is en afdoende gemotiveerd werd. Klager pleegde een inbreuk van de tweede categorie. In geval van een inbreuk van de tweede categorie kan er voor een maximumduur van 15 dagen een afzondering in de aan de gedetineerde toegewezen verblijfsruimte worden opgelegd (artikel 132, 3° Basiswet). Klager kreeg 7 dagen ATV. De klachtencommissie acht deze sanctie wettelijk en, gezien het al de derde keer was dat klager dit gedrag stelde, redelijk. De klacht is ongegrond.