KC06/26-0054
Non fondée
KC - Dendermonde
Commission des plaintes
Mesure provisoire
Fouille à corps
FOUILLE LICHAAM - VOORLOPIGE MAATREGEL - MOTIVERING
Klager werd op 18 februari 2026 onderworpen aan een fouillering op het lichaam. De directie haalde als individuele aanwijzing aan dat er een sterk verdachte geur rond klager zijn persoon hangt. Deze wordt zowel waargenomen wanneer hij bij het verlaten van zijn verblijfsruimte aan de kledij wordt gefouilleerd, als wanneer hij voorbij de metaaldetectieportiek loopt op weg naar de wandeling. De klachtencommissie acht de individuele aanwijzing voldoende geconcretiseerd. In de bestreden beslissing wordt tevens gemotiveerd waarom een onderzoek aan de kledij niet zou volstaan om het bezit van andere voorwerpen of substanties te achterhalen. De klachtencommissie besluit dat de motivering van de beslissing voldoet aan de vereisten van artikel 108 j° artikel 8 Basiswet. De klacht is ongegrond.
Klager kreeg op 18 februari 2026 een voorlopige maatregel opgelegd. De directeur besliste om klager op de beveiligde cel te plaatsen, een uitsluiting van deelname aan alle activiteiten op te leggen en om de 15 minuten te observeren op basis van de ernstige en opzettelijke aantasting van de interne veiligheid (artikel 145, §1, eerste lid Basiswet). De motivering van de voorlopige maatregel verwijst naar het gegeven dat klager tijdens de fouillering aan het lichaam een onbekend voorwerp/onbekende substantie in zijn mondholte verborg, dewelke hij vervolgens inslikte. De klachtencommissie meent dat uit de motivering van de voorlopige maatregel voldoende blijkt waarom de fysieke integriteit van personen bedreigd werd. Ook de bedreiging van de eigen fysieke integriteit van klager valt immers onder de interne veiligheid. De klachtencommissie is dan ook van oordeel dat de beslissing tot het opleggen van de voorlopige maatregel in het voorliggend dossier wettig, redelijk en billijk was. De klacht is ongegrond.
Klager werd op 18 februari 2026 onderworpen aan een fouillering op het lichaam. De directie haalde als individuele aanwijzing aan dat er een sterk verdachte geur rond klager zijn persoon hangt. Deze wordt zowel waargenomen wanneer hij bij het verlaten van zijn verblijfsruimte aan de kledij wordt gefouilleerd, als wanneer hij voorbij de metaaldetectieportiek loopt op weg naar de wandeling. De klachtencommissie acht de individuele aanwijzing voldoende geconcretiseerd. In de bestreden beslissing wordt tevens gemotiveerd waarom een onderzoek aan de kledij niet zou volstaan om het bezit van andere voorwerpen of substanties te achterhalen. De klachtencommissie besluit dat de motivering van de beslissing voldoet aan de vereisten van artikel 108 j° artikel 8 Basiswet. De klacht is ongegrond.
Klager kreeg op 18 februari 2026 een voorlopige maatregel opgelegd. De directeur besliste om klager op de beveiligde cel te plaatsen, een uitsluiting van deelname aan alle activiteiten op te leggen en om de 15 minuten te observeren op basis van de ernstige en opzettelijke aantasting van de interne veiligheid (artikel 145, §1, eerste lid Basiswet). De motivering van de voorlopige maatregel verwijst naar het gegeven dat klager tijdens de fouillering aan het lichaam een onbekend voorwerp/onbekende substantie in zijn mondholte verborg, dewelke hij vervolgens inslikte. De klachtencommissie meent dat uit de motivering van de voorlopige maatregel voldoende blijkt waarom de fysieke integriteit van personen bedreigd werd. Ook de bedreiging van de eigen fysieke integriteit van klager valt immers onder de interne veiligheid. De klachtencommissie is dan ook van oordeel dat de beslissing tot het opleggen van de voorlopige maatregel in het voorliggend dossier wettig, redelijk en billijk was. De klacht is ongegrond.