KC06/26-0006
Non fondée
KC - Dendermonde
Commission des plaintes
Autre décision directeur
OVERBEVOLKING - GRONDSLAPEN
Klager heeft een klacht ingediend omdat hij op de grond moet slapen in een cel waar nog drie medegedetineerden verblijven.
De klachtencommissie is van oordeel dat hoewel klager zijn klacht heeft ingediend op 07/01/2026, terwijl de celmutatie plaatsvond op 05/12/2025, de klacht weldegelijk ontvankelijk is aangezien klager op het moment van de indiening van zijn klacht nog steeds op de grond sliep. De klacht kan immers beschouwd worden als het verzuim van de directie om binnen een redelijke termijn een beslissing te nemen opdat klager niet meer op de grond moest slapen in een te kleine cel, gelet op de zorgplicht van de directie ten aanzien van de gedetineerden die in de gevangenis verblijven.
De klachtencommissie dient de situatie van klager in het licht van artikel 3 EVRM te onderzoeken. In de rechtspraak heeft het EHRM bepaald dat wanneer iemand moet verblijven in een cel met minder dan 3m² persoonlijke ruimte het gebrek aan ruimte alleen al geldt als een ernstig vermoeden van een schending van artikel 3 EVRM. De gevangenisdirectie kan dat vermoeden weerleggen indien het gaat om een korte periode tijdens dewelke men voldoende tijd buiten de cel kan doorbrengen en als er geen andere elementen zijn die wijzen op slechte detentieomstandigheden. Andere verzwarende omstandigheden in de beoordeling van een eventuele schending van artikel 3 EVRM zijn een blootstelling aan passief roken, geen degelijke verluchting of geen natuurlijke verlichting, verwarming, de mogelijkheid om het sanitair privé te gebruiken en het al dan niet voldoen aan voorwaarden over hygiëne en sanitair. Voor het berekenen van de persoonlijke ruimte mag de ruimte die de sanitaire voorzieningen innemen niet meetellen voor de totale oppervlakte.
De klachtencommissie stelt vooreerst vast dat klager van 05/12/2025 tot 17/01/2026 op een meerpersoonscel verbleef waarbij hij op de grond moest slapen. Uit de bijkomende informatie van de directie blijkt dat de oppervlakte van deze meerpersoonscel ongeveer 15m² bedraagt, waarvan het sanitaire gedeelte ongeveer 3m² uitmaakt. De klachtencommissie stelt vast dat klager op deze 12m² afwisselend met drie à vier personen in totaal verbleef. In navolging van de rechtspraak van het EHRM hierover, zoals hierboven uiteengezet, stelt de klachtencommissie vast dat het vermoeden van een schending van artikel 3 EVRM niet van toepassing is, aangezien klager niet in een cel moest verblijven met minder dan 3m² persoonlijke ruimte. De klachtencommissie is van oordeel dat er bijgevolg geen sprake is van een schending van het verbod op onmenselijke behandeling in de zin van artikel 3 EVRM.
De klachtencommissie merkt evenwel op dat artikel 5 van de Basiswet bepaalt dat de vrijheidsstraf of de vrijheidsbenemende maatregel ten uitvoer wordt gelegd in psychosociale, fysieke en materiële omstandigheden die de waardigheid van de mens eerbiedigen, die het behoud of de groei van het zelfrespect van de gedetineerde mogelijk maken en die hem aanspreken op zijn individuele en sociale verantwoordelijkheid. Klager heeft gedurende anderhalve maand op de grond moeten slapen. Uit de bijkomende informatie van de directie blijkt echter dat klager van 25/10/2025 tot 05/12/2025 weldegelijk op het open regime kon verblijven. Door een ordemaatregel verbleef hij van 05/12/2025 tot en met 17/01/2026 in de overbevolkte cel. Uit deze informatie blijkt eveneens dat de directie klager zodra het mogelijk was (gelet op de overbevolking van de gevangenis van de Dendermonde in de maand december 2026 waarbij er tussen de 50 en 60 grondslapers per dag waren) terug naar een cel met bed heeft verhuisd. Gelet op het feit dat de periode dat klager op de grond heeft moeten slapen, beperkt was in tijd en gelet op de verantwoordelijkheid die de directie heeft genomen ondanks de algemene detentieomstandigheden, is de klachtencommissie van oordeel dat de beslissing ook niet onredelijk of onbillijk was. Klager was immers gedurende die periode in de mogelijkheid om tweemaal per dag deel te nemen aan de wandeling of aan het open regime. De wandeling duurt twee uur in de voormiddag en anderhalf uur in de namiddag. Ook had hij de kans om daarnaast dagelijks deel te nemen aan andere activiteiten, maar heeft klager er zelf voor gekozen om dit niet te doen.
Klager heeft een klacht ingediend omdat hij op de grond moet slapen in een cel waar nog drie medegedetineerden verblijven.
De klachtencommissie is van oordeel dat hoewel klager zijn klacht heeft ingediend op 07/01/2026, terwijl de celmutatie plaatsvond op 05/12/2025, de klacht weldegelijk ontvankelijk is aangezien klager op het moment van de indiening van zijn klacht nog steeds op de grond sliep. De klacht kan immers beschouwd worden als het verzuim van de directie om binnen een redelijke termijn een beslissing te nemen opdat klager niet meer op de grond moest slapen in een te kleine cel, gelet op de zorgplicht van de directie ten aanzien van de gedetineerden die in de gevangenis verblijven.
De klachtencommissie dient de situatie van klager in het licht van artikel 3 EVRM te onderzoeken. In de rechtspraak heeft het EHRM bepaald dat wanneer iemand moet verblijven in een cel met minder dan 3m² persoonlijke ruimte het gebrek aan ruimte alleen al geldt als een ernstig vermoeden van een schending van artikel 3 EVRM. De gevangenisdirectie kan dat vermoeden weerleggen indien het gaat om een korte periode tijdens dewelke men voldoende tijd buiten de cel kan doorbrengen en als er geen andere elementen zijn die wijzen op slechte detentieomstandigheden. Andere verzwarende omstandigheden in de beoordeling van een eventuele schending van artikel 3 EVRM zijn een blootstelling aan passief roken, geen degelijke verluchting of geen natuurlijke verlichting, verwarming, de mogelijkheid om het sanitair privé te gebruiken en het al dan niet voldoen aan voorwaarden over hygiëne en sanitair. Voor het berekenen van de persoonlijke ruimte mag de ruimte die de sanitaire voorzieningen innemen niet meetellen voor de totale oppervlakte.
De klachtencommissie stelt vooreerst vast dat klager van 05/12/2025 tot 17/01/2026 op een meerpersoonscel verbleef waarbij hij op de grond moest slapen. Uit de bijkomende informatie van de directie blijkt dat de oppervlakte van deze meerpersoonscel ongeveer 15m² bedraagt, waarvan het sanitaire gedeelte ongeveer 3m² uitmaakt. De klachtencommissie stelt vast dat klager op deze 12m² afwisselend met drie à vier personen in totaal verbleef. In navolging van de rechtspraak van het EHRM hierover, zoals hierboven uiteengezet, stelt de klachtencommissie vast dat het vermoeden van een schending van artikel 3 EVRM niet van toepassing is, aangezien klager niet in een cel moest verblijven met minder dan 3m² persoonlijke ruimte. De klachtencommissie is van oordeel dat er bijgevolg geen sprake is van een schending van het verbod op onmenselijke behandeling in de zin van artikel 3 EVRM.
De klachtencommissie merkt evenwel op dat artikel 5 van de Basiswet bepaalt dat de vrijheidsstraf of de vrijheidsbenemende maatregel ten uitvoer wordt gelegd in psychosociale, fysieke en materiële omstandigheden die de waardigheid van de mens eerbiedigen, die het behoud of de groei van het zelfrespect van de gedetineerde mogelijk maken en die hem aanspreken op zijn individuele en sociale verantwoordelijkheid. Klager heeft gedurende anderhalve maand op de grond moeten slapen. Uit de bijkomende informatie van de directie blijkt echter dat klager van 25/10/2025 tot 05/12/2025 weldegelijk op het open regime kon verblijven. Door een ordemaatregel verbleef hij van 05/12/2025 tot en met 17/01/2026 in de overbevolkte cel. Uit deze informatie blijkt eveneens dat de directie klager zodra het mogelijk was (gelet op de overbevolking van de gevangenis van de Dendermonde in de maand december 2026 waarbij er tussen de 50 en 60 grondslapers per dag waren) terug naar een cel met bed heeft verhuisd. Gelet op het feit dat de periode dat klager op de grond heeft moeten slapen, beperkt was in tijd en gelet op de verantwoordelijkheid die de directie heeft genomen ondanks de algemene detentieomstandigheden, is de klachtencommissie van oordeel dat de beslissing ook niet onredelijk of onbillijk was. Klager was immers gedurende die periode in de mogelijkheid om tweemaal per dag deel te nemen aan de wandeling of aan het open regime. De wandeling duurt twee uur in de voormiddag en anderhalf uur in de namiddag. Ook had hij de kans om daarnaast dagelijks deel te nemen aan andere activiteiten, maar heeft klager er zelf voor gekozen om dit niet te doen.