KC06/25-0320
Non fondée
KC - Dendermonde
Commission des plaintes
Disciplinaire
TUCHT
Klager dient klacht in omdat hij tuchtrechtelijk gesanctioneerd werd wegens “het beledigen van personen die zich in de gevangenis bevinden” en “het veroorzaken van lawaaihinder die het goede verloop van de activiteiten van de gevangenis verstoort”.
In eerste instantie meent de klachtencommissie dat het RAD duidelijk en gedetailleerd werd opgesteld en twee beambten getuige waren van de feiten. De klachtencommissie is ook van oordeel dat klager geen overtuigende elementen heeft aangevoerd waaruit de klachtencommissie kan afleiden dat het rapport geen correcte weergave zou zijn van de feiten. Hoewel klager tijdens de tuchtrechtelijke hoorzitting ontkent dat hij deze uitspraken zou hebben gedaan en een trap op de deur zou hebben gegeven, is de klachtencommissie van oordeel dat er geen redenen zijn waarom de directie aan de waarachtigheid van het RAD zou moeten twijfelen. Uit de observatiefiche van klager blijkt eveneens dat klager reeds herhaaldelijk verbaal agressief was naar beambten toe. De directie heeft afdoende gemotiveerd waarom de feiten een tuchtrechtelijke inbreuk uitmaakten. De klachtencommissie besluit dat de directeur in redelijkheid en billijkheid de tuchtinbreuk kon bewezen verklaren in hoofde van klager.
Klager dient klacht in omdat hij tuchtrechtelijk gesanctioneerd werd wegens “het beledigen van personen die zich in de gevangenis bevinden” en “het veroorzaken van lawaaihinder die het goede verloop van de activiteiten van de gevangenis verstoort”.
In eerste instantie meent de klachtencommissie dat het RAD duidelijk en gedetailleerd werd opgesteld en twee beambten getuige waren van de feiten. De klachtencommissie is ook van oordeel dat klager geen overtuigende elementen heeft aangevoerd waaruit de klachtencommissie kan afleiden dat het rapport geen correcte weergave zou zijn van de feiten. Hoewel klager tijdens de tuchtrechtelijke hoorzitting ontkent dat hij deze uitspraken zou hebben gedaan en een trap op de deur zou hebben gegeven, is de klachtencommissie van oordeel dat er geen redenen zijn waarom de directie aan de waarachtigheid van het RAD zou moeten twijfelen. Uit de observatiefiche van klager blijkt eveneens dat klager reeds herhaaldelijk verbaal agressief was naar beambten toe. De directie heeft afdoende gemotiveerd waarom de feiten een tuchtrechtelijke inbreuk uitmaakten. De klachtencommissie besluit dat de directeur in redelijkheid en billijkheid de tuchtinbreuk kon bewezen verklaren in hoofde van klager.