KC06/25-0295
Fondée
KC - Dendermonde
Commission des plaintes
Mesure de sécurité particulière
BIJZONDERE VEILIGHEIDSMAATREGEL - MOTIVERING - GEZONDHEID
Over de ontvankelijkheid:
Klager diende zijn klacht in op 14 oktober 2025. De klachtencommissie stelt echter vast dat de beslissing tot het opleggen van een BVM, evenals de daaropvolgende verlengingsbeslissingen, niet voor kennisname werden ondertekend door klager. Bij gebrek aan een ondertekende kennisname kan de klachtencommissie niet vaststellen op welk ogenblik klager effectief kennis heeft genomen van de bestreden beslissingen, noch of de klacht werd ingediend binnen de termijn van zeven dagen na deze kennisname. Deze onzekerheid kan niet in het nadeel van klager worden uitgelegd.
Daarnaast stelt de klachtencommissie vast dat klager ingevolge de BVM verbleef in een beveiligde cel. Onder die omstandigheden kan niet met zekerheid worden aangenomen dat hij beschikte over het nodige schrijfmateriaal om tijdig een klacht in te dienen.
Gelet op het voorgaande is de klacht ontvankelijk. De klachtencommissie kan de klacht inhoudelijk beoordelen.
Over de gegrondheid:
Wat betreft het initiële opleggen van de BVM, blijkt uit de bestreden beslissing dat klager op 29 september 2025 een overdosis medicatie had ingenomen, waarna hij in coma werd opgenomen in het ziekenhuis. Tevens werd gewezen op een eerdere poging tot zelfdoding door van de tweede verdieping te springen. Deze elementen wijzen op een ernstig, concreet en acuut gevaar voor de fysieke integriteit van klager. Gelet op de ernst en de herhaling van de feiten kon de directeur redelijkerwijze oordelen dat sprake was van ernstige aanwijzingen van een veiligheidsrisico in de zin van de Basiswet. De klachtencommissie is van oordeel dat het opleggen van een BVM in die omstandigheden noodzakelijk en proportioneel was ter bescherming van het leven van klager.
Wat betreft de eerste verlenging, baseerde de directie zich op bijkomende objectieve elementen, met name de vaststelling dat klager reeds vijf dagen niet meer at. Dat klager ontkende een zelfmoordpoging te hebben ondernomen en zijn toestand toeschreef aan slaapdeprivatie, doet geen afbreuk aan de concrete vaststellingen. De klachtencommissie is van oordeel dat het risico op herhaling op dat ogenblik nog reëel en actueel was, zodat de voortzetting van de maatregel bleef beantwoorden aan de vereisten van noodzakelijkheid en evenredigheid.
Wat betreft de tweede verlenging, waarbij tevens een uitsluiting van deelname aan bepaalde gemeenschappelijke of individuele activiteiten werd opgelegd, stelt de klachtencommissie vast dat de motivering ontoereikend is. In de beslissing wordt niet verduidelijkt waarom op dat moment nog steeds sprake was van een dermate acuut risico dat een verdere verlenging van de BVM noodzakelijk bleef, noch waarom de bijkomende uitsluiting van activiteiten vereist was om het gestelde gevaar te neutraliseren. Ook het verslag van horen met betrekking tot de verlenging vanaf 14 oktober is summier en beperkt zich tot de vraag of klager nog opmerkingen of vragen had, zonder dat blijkt dat een inhoudelijke afweging werd gemaakt. Bij gebrek aan concrete en actuele motivering kan niet worden vastgesteld dat voor deze laatste verlenging en bijkomende beperking voldaan was aan de wettelijke voorwaarden.
Om deze redenen besluit de klachtencommissie dat de klacht met betrekking tot de beslissing tot het opleggen van een BVM en de eerste verlenging ongegrond is, maar dat de klacht met betrekking tot de tweede verlenging gegrond is.
Over de ontvankelijkheid:
Klager diende zijn klacht in op 14 oktober 2025. De klachtencommissie stelt echter vast dat de beslissing tot het opleggen van een BVM, evenals de daaropvolgende verlengingsbeslissingen, niet voor kennisname werden ondertekend door klager. Bij gebrek aan een ondertekende kennisname kan de klachtencommissie niet vaststellen op welk ogenblik klager effectief kennis heeft genomen van de bestreden beslissingen, noch of de klacht werd ingediend binnen de termijn van zeven dagen na deze kennisname. Deze onzekerheid kan niet in het nadeel van klager worden uitgelegd.
Daarnaast stelt de klachtencommissie vast dat klager ingevolge de BVM verbleef in een beveiligde cel. Onder die omstandigheden kan niet met zekerheid worden aangenomen dat hij beschikte over het nodige schrijfmateriaal om tijdig een klacht in te dienen.
Gelet op het voorgaande is de klacht ontvankelijk. De klachtencommissie kan de klacht inhoudelijk beoordelen.
Over de gegrondheid:
Wat betreft het initiële opleggen van de BVM, blijkt uit de bestreden beslissing dat klager op 29 september 2025 een overdosis medicatie had ingenomen, waarna hij in coma werd opgenomen in het ziekenhuis. Tevens werd gewezen op een eerdere poging tot zelfdoding door van de tweede verdieping te springen. Deze elementen wijzen op een ernstig, concreet en acuut gevaar voor de fysieke integriteit van klager. Gelet op de ernst en de herhaling van de feiten kon de directeur redelijkerwijze oordelen dat sprake was van ernstige aanwijzingen van een veiligheidsrisico in de zin van de Basiswet. De klachtencommissie is van oordeel dat het opleggen van een BVM in die omstandigheden noodzakelijk en proportioneel was ter bescherming van het leven van klager.
Wat betreft de eerste verlenging, baseerde de directie zich op bijkomende objectieve elementen, met name de vaststelling dat klager reeds vijf dagen niet meer at. Dat klager ontkende een zelfmoordpoging te hebben ondernomen en zijn toestand toeschreef aan slaapdeprivatie, doet geen afbreuk aan de concrete vaststellingen. De klachtencommissie is van oordeel dat het risico op herhaling op dat ogenblik nog reëel en actueel was, zodat de voortzetting van de maatregel bleef beantwoorden aan de vereisten van noodzakelijkheid en evenredigheid.
Wat betreft de tweede verlenging, waarbij tevens een uitsluiting van deelname aan bepaalde gemeenschappelijke of individuele activiteiten werd opgelegd, stelt de klachtencommissie vast dat de motivering ontoereikend is. In de beslissing wordt niet verduidelijkt waarom op dat moment nog steeds sprake was van een dermate acuut risico dat een verdere verlenging van de BVM noodzakelijk bleef, noch waarom de bijkomende uitsluiting van activiteiten vereist was om het gestelde gevaar te neutraliseren. Ook het verslag van horen met betrekking tot de verlenging vanaf 14 oktober is summier en beperkt zich tot de vraag of klager nog opmerkingen of vragen had, zonder dat blijkt dat een inhoudelijke afweging werd gemaakt. Bij gebrek aan concrete en actuele motivering kan niet worden vastgesteld dat voor deze laatste verlenging en bijkomende beperking voldaan was aan de wettelijke voorwaarden.
Om deze redenen besluit de klachtencommissie dat de klacht met betrekking tot de beslissing tot het opleggen van een BVM en de eerste verlenging ongegrond is, maar dat de klacht met betrekking tot de tweede verlenging gegrond is.