Ga verder naar de inhoud

KC06/25-0294

Non fondée KC - Dendermonde Commission des plaintes Disciplinaire
TUCHT - VEBRODEN SUBSTANTIES

Klager dient klacht in tegen een tuchtbeslissing, waarbij hij tuchtrechtelijk gesanctioneerd werd voor het bezit of het gebruik van verboden substanties. De klachtencommissie is van oordeel dat de directie haar beslissing voldoende zorgvuldig en draagkrachtig heeft gemotiveerd en dat de klacht ongegrond is. Uit het tuchtdossier blijkt immers dat in de verblijfsruimte van klager, waarin klager alleen verblijft, verschillende plastic verpakkingsmaterialen werden aangetroffen, alsook bijkomende plastiekverpakkingen op zijn lichaam na fouille. Volgens het RAD verspreidden deze verpakkingen een sterke geur van een verboden substantie, vergelijkbaar met hasj. Dit RAD vermeldt bovendien drie getuigen. Overeenkomstig de geldende rechtspraak van de Nederlandstalige beroepscommissie kan de waarneming van een specifieke geur van een verboden substantie redelijkerwijze bijdragen tot het bewijs van een tuchtinbreuk, mits deze waarneming zorgvuldig gebeurt. In casu werd de geur concreet gelinkt aan de aangetroffen verpakkingen in de verblijfsruimte en op het lichaam van klager, zodat zij voldoende geïndividualiseerd is. Bovendien zijn er bijkomende elementen die het vermoeden van bezit ondersteunen, met name het aantreffen van meerdere verpakkingsmaterialen, waarvan algemeen bekend is dat zij worden gebruikt bij het verhandelen van verboden substanties, evenals de recente vermelding in de observatiefiche dat klager onder invloed leek te verkeren. De directeur kon, binnen haar discretionaire beoordelingsbevoegdheid en zonder de grenzen van de redelijkheid te overschrijden, oordelen dat de feiten bewezen waren.