KC06/25-0283
Non fondée
KC - Dendermonde
Commission des plaintes
Disciplinaire
TUCHT
De klacht is gericht tegen de tuchtbeslissing van 06.10.2025. Klager werd op 06.10.2025 tuchtrechtelijk gesanctioneerd wegens het bezit van of de handel in door of krachtens de wet verboden voorwerpen of substanties, een tuchtinbreuk van eerste categorie. De aanleiding voor de tuchtrechtelijke veroordeling blijkt een rapport aan de directeur (RAD) van 02.10.2025 te zijn waarin wordt vermeld dat tijdens de fouille bij het binnenhalen van de wandeling een witte pil, gewikkeld in plastic, uit de jaszak van klager was gevallen.
Een gedetineerde kan alleen schuldig worden verklaard aan de hem ten laste gelegde tuchtrechtelijke inbreuk wanneer de directeur, op grond van al het bewijsmateriaal waarover hij beschikt, de ten laste gelegde feiten bewezen acht en de daarvoor ter verantwoording geroepen gedetineerde daaraan schuldig acht. De Basiswet stelt geen bijzonder bewijsstelsel in. De directeur kan voor het bewijs van een tuchtinbreuk dus steunen op bekentenissen of vaststaande bewijzen, maar ook op getuigenissen en vermoedens. Vaststellingen van personeelsleden, zoals RAD’s, spelen daarbij een belangrijke rol. Er gaat een vermoeden van objectiviteit uit van deze rapporten.
In dit dossier heeft de directie zich voor het bewijs van de tuchtinbreuk in eerste instantie gesteund op het RAD. Hoewel het RAD zeer summier is, meent de klachtencommissie dat de vaststelling helder is geformuleerd en niet voor interpretatie vatbaar is. De beambte had gezien dat er een pil uit de jas van klager was gevallen tijdens de fouille na de wandeling. Tijdens de hoorzitting blijkt klager echter een overtuigende tegenindicatie opgeworpen te hebben want uit zijn kledijfiche zou gebleken zijn dat hij geen jas heeft. De directie heeft vervolgens bijkomend onderzoek uitgevoerd en de camerabeelden geconsulteerd teneinde de inhoud van het RAD te verifiëren. Hoewel de klachtencommissie vaststelt dat deze beelden niet tegensprekelijk werden gemaakt aan klager, lijkt dit voor klager geen probleem aangezien hij geen schending van het recht van verdediging opwerpt. Uit de motivering van de tuchtbeslissing blijkt dat op de camerabeelden inderdaad te zien was dat klager geen jas droeg maar dat de pil uit de zak van zijn trui was gevallen. Of de pil nu uit een jas of een trui is gevallen, is niet relevant voor de kwalificatie van de tuchtinbreuk. De klachtencommissie meent dat de directie het bezit van een pil in redelijkheid en billijkheid kon toerekenen aan klager.
De directeur legde een algemene tuchtsanctie op in de vorm van vijftien dagen ATV. Voor een tuchtinbreuk van eerste categorie is de wettelijk toegestane maximumsanctie dertig dagen ATV. De tuchtsanctie was dus wettig. De klachtencommissie is van oordeel dat de sanctie ook niet onredelijk of onbillijk was gelet op de zeven vermeldingen wegens verdachte substantie in het tuchtregister van klager. Om deze redenen is de klacht ongegrond.
De klacht is gericht tegen de tuchtbeslissing van 06.10.2025. Klager werd op 06.10.2025 tuchtrechtelijk gesanctioneerd wegens het bezit van of de handel in door of krachtens de wet verboden voorwerpen of substanties, een tuchtinbreuk van eerste categorie. De aanleiding voor de tuchtrechtelijke veroordeling blijkt een rapport aan de directeur (RAD) van 02.10.2025 te zijn waarin wordt vermeld dat tijdens de fouille bij het binnenhalen van de wandeling een witte pil, gewikkeld in plastic, uit de jaszak van klager was gevallen.
Een gedetineerde kan alleen schuldig worden verklaard aan de hem ten laste gelegde tuchtrechtelijke inbreuk wanneer de directeur, op grond van al het bewijsmateriaal waarover hij beschikt, de ten laste gelegde feiten bewezen acht en de daarvoor ter verantwoording geroepen gedetineerde daaraan schuldig acht. De Basiswet stelt geen bijzonder bewijsstelsel in. De directeur kan voor het bewijs van een tuchtinbreuk dus steunen op bekentenissen of vaststaande bewijzen, maar ook op getuigenissen en vermoedens. Vaststellingen van personeelsleden, zoals RAD’s, spelen daarbij een belangrijke rol. Er gaat een vermoeden van objectiviteit uit van deze rapporten.
In dit dossier heeft de directie zich voor het bewijs van de tuchtinbreuk in eerste instantie gesteund op het RAD. Hoewel het RAD zeer summier is, meent de klachtencommissie dat de vaststelling helder is geformuleerd en niet voor interpretatie vatbaar is. De beambte had gezien dat er een pil uit de jas van klager was gevallen tijdens de fouille na de wandeling. Tijdens de hoorzitting blijkt klager echter een overtuigende tegenindicatie opgeworpen te hebben want uit zijn kledijfiche zou gebleken zijn dat hij geen jas heeft. De directie heeft vervolgens bijkomend onderzoek uitgevoerd en de camerabeelden geconsulteerd teneinde de inhoud van het RAD te verifiëren. Hoewel de klachtencommissie vaststelt dat deze beelden niet tegensprekelijk werden gemaakt aan klager, lijkt dit voor klager geen probleem aangezien hij geen schending van het recht van verdediging opwerpt. Uit de motivering van de tuchtbeslissing blijkt dat op de camerabeelden inderdaad te zien was dat klager geen jas droeg maar dat de pil uit de zak van zijn trui was gevallen. Of de pil nu uit een jas of een trui is gevallen, is niet relevant voor de kwalificatie van de tuchtinbreuk. De klachtencommissie meent dat de directie het bezit van een pil in redelijkheid en billijkheid kon toerekenen aan klager.
De directeur legde een algemene tuchtsanctie op in de vorm van vijftien dagen ATV. Voor een tuchtinbreuk van eerste categorie is de wettelijk toegestane maximumsanctie dertig dagen ATV. De tuchtsanctie was dus wettig. De klachtencommissie is van oordeel dat de sanctie ook niet onredelijk of onbillijk was gelet op de zeven vermeldingen wegens verdachte substantie in het tuchtregister van klager. Om deze redenen is de klacht ongegrond.