TUCHT - KWALIFICATIE FEITEN - MOTIVERING
De directeur heeft zich voor het bewezen zijn van de feiten gebaseerd op de materiële vaststellingen zoals opgenomen in het RAD van 17 september 2025. Hierin wordt beschreven hoe klager en een medegedetineerde verschillende vuistslagen aan elkaar uitdelen. Volgens de klachtencommissie bracht klager ter tuchtzitting geen tegenindicaties aan die doen twijfelen aan de waarachtigheid van het RAD. De klachtencommissie acht het redelijk dat de directie de feiten bewezen achtte.
De klachtencommissie meent dat de tuchtbeslissing gebrekkig is op twee punten:
In het voorliggend dossier bestaat de motivering uit een opsomming van regelgeving. De klachtencommissie wijst erop dat het niet de bedoeling is dat de motivering van een tuchtbeslissing enkel kan begrepen worden door ze samen te lezen met het RAD waarnaar verwezen wordt. De directie dient de feiten die in het RAD werden beschreven in de motivering zelf te hernemen (kort omschrijven) alvorens over te gaan tot de kwalificatie. Enkel op die manier is het duidelijk welke feiten door de directie als bewezen worden beschouwd en welke kwalificatie ze eraan geeft.
In het voorliggend dossier is het enigszins dubbelzinnig welke kwalificaties door de directie weerhouden werden:
- In de tabel wordt enkel de opzettelijke aantasting van de fysieke integriteit van personen, of de bedreiging daarmee (artikel 129, 1° Basiswet) aangekruist.
- De motivering stelt dat de feiten óók de inbreuk van het niet naleven van de door het huishoudelijk reglement voorgeschreven bepalingen (artikel 130, 2° Basiswet) uitmaken (“Fysieke agressie tegenover een medegedetineerde is zowel een overtreding van het huishoudelijk reglement als een schending van de integriteit van personen.”).
- Bij de bepaling van de sanctie wordt dan weer gezegd “Dit is een tuchtrechtelijke inbreuk van de eerste categorie.” waardoor er opnieuw maar één kwalificatie weerhouden lijkt te zijn.
De klachtencommissie acht de kwalificatie van de feiten als de opzettelijke aantasting van de fysieke integriteit van personen, of de bedreiging daarmee (artikel 129, 1° Basiswet) op zich correct. Uit het RAD blijkt dat klager en de medegedetineerde elkaar vuistslagen uitdeelden, waaruit blijkt dat het niet enkel klager was die aangevallen werd, zoals hij ter tuchtzitting beweert. Zoals de klachtencommissie echter al opmerkte werd er niets van de feiten hernomen, zodat ook de kwalificatie in die zin niet afdoende gemotiveerd werd. De directie herneemt immers enkel hetgeen klager ter tuchtzitting verklaarde (“Tijdens de hoorzitting verklaarde betrokkene dat een Albanees met een mentale achterstand hem zonder enige aanleiding een slag in zijn gezicht gaf.”) doch verduidelijkt niet waarom zij toch van oordeel is dat er sprake was van wederzijdse slagen of slagen toegebracht door klager. Een duidelijke verwijzing naar hetgeen in het RAD staat (“Beide gedetineerden deelden verschillende vuistslagen uit naar elkaar.”) was hier volgens de klachtencommissie op zijn plaats.
De klachtencommissie acht de dubbele kwalificatie van de feiten als zijnde het niet naleven van de door het huishoudelijk reglement voorgeschreven bepalingen (artikel 130, 2° Basiswet) in elk geval niet correct. De directie verwijst in de motivering naar artikel 106, §1 Basiswet en huishoudelijk reglement p. 37. De klachtencommissie wijst erop dat de algemene bepaling van het huishoudelijk reglement een loutere overname is van de algemene gedragsvoorschriften van artikel 106, §1 en §2 Basiswet en dat deze bepaling in het huishoudelijk reglement daardoor op zichzelf géén tuchtinbreuk in het leven roept. Het niet respecteren van deze passage kan met andere woorden niet opgevat worden als een overtreding van het huishoudelijk reglement. In het voorliggend dossier kan de kwalificatie van de feiten als het niet-naleven van het huishoudelijk reglement volgens de klachtencommissie dan ook niet overeind blijven.
Gelet op deze tekortkomingen oordeelt de klachtencommissie dat de tuchtbeslissing niet voldoet aan artikel 144, §6, tweede lid j° artikel 8 Basiswet. De klacht is gegrond. De nog lopende ATV-sanctie dient onmiddellijk te worden stopgezet. De klachtencommissie kent geen verdere tegemoetkoming toe.
De directeur heeft zich voor het bewezen zijn van de feiten gebaseerd op de materiële vaststellingen zoals opgenomen in het RAD van 17 september 2025. Hierin wordt beschreven hoe klager en een medegedetineerde verschillende vuistslagen aan elkaar uitdelen. Volgens de klachtencommissie bracht klager ter tuchtzitting geen tegenindicaties aan die doen twijfelen aan de waarachtigheid van het RAD. De klachtencommissie acht het redelijk dat de directie de feiten bewezen achtte.
De klachtencommissie meent dat de tuchtbeslissing gebrekkig is op twee punten:
In het voorliggend dossier bestaat de motivering uit een opsomming van regelgeving. De klachtencommissie wijst erop dat het niet de bedoeling is dat de motivering van een tuchtbeslissing enkel kan begrepen worden door ze samen te lezen met het RAD waarnaar verwezen wordt. De directie dient de feiten die in het RAD werden beschreven in de motivering zelf te hernemen (kort omschrijven) alvorens over te gaan tot de kwalificatie. Enkel op die manier is het duidelijk welke feiten door de directie als bewezen worden beschouwd en welke kwalificatie ze eraan geeft.
In het voorliggend dossier is het enigszins dubbelzinnig welke kwalificaties door de directie weerhouden werden:
- In de tabel wordt enkel de opzettelijke aantasting van de fysieke integriteit van personen, of de bedreiging daarmee (artikel 129, 1° Basiswet) aangekruist.
- De motivering stelt dat de feiten óók de inbreuk van het niet naleven van de door het huishoudelijk reglement voorgeschreven bepalingen (artikel 130, 2° Basiswet) uitmaken (“Fysieke agressie tegenover een medegedetineerde is zowel een overtreding van het huishoudelijk reglement als een schending van de integriteit van personen.”).
- Bij de bepaling van de sanctie wordt dan weer gezegd “Dit is een tuchtrechtelijke inbreuk van de eerste categorie.” waardoor er opnieuw maar één kwalificatie weerhouden lijkt te zijn.
De klachtencommissie acht de kwalificatie van de feiten als de opzettelijke aantasting van de fysieke integriteit van personen, of de bedreiging daarmee (artikel 129, 1° Basiswet) op zich correct. Uit het RAD blijkt dat klager en de medegedetineerde elkaar vuistslagen uitdeelden, waaruit blijkt dat het niet enkel klager was die aangevallen werd, zoals hij ter tuchtzitting beweert. Zoals de klachtencommissie echter al opmerkte werd er niets van de feiten hernomen, zodat ook de kwalificatie in die zin niet afdoende gemotiveerd werd. De directie herneemt immers enkel hetgeen klager ter tuchtzitting verklaarde (“Tijdens de hoorzitting verklaarde betrokkene dat een Albanees met een mentale achterstand hem zonder enige aanleiding een slag in zijn gezicht gaf.”) doch verduidelijkt niet waarom zij toch van oordeel is dat er sprake was van wederzijdse slagen of slagen toegebracht door klager. Een duidelijke verwijzing naar hetgeen in het RAD staat (“Beide gedetineerden deelden verschillende vuistslagen uit naar elkaar.”) was hier volgens de klachtencommissie op zijn plaats.
De klachtencommissie acht de dubbele kwalificatie van de feiten als zijnde het niet naleven van de door het huishoudelijk reglement voorgeschreven bepalingen (artikel 130, 2° Basiswet) in elk geval niet correct. De directie verwijst in de motivering naar artikel 106, §1 Basiswet en huishoudelijk reglement p. 37. De klachtencommissie wijst erop dat de algemene bepaling van het huishoudelijk reglement een loutere overname is van de algemene gedragsvoorschriften van artikel 106, §1 en §2 Basiswet en dat deze bepaling in het huishoudelijk reglement daardoor op zichzelf géén tuchtinbreuk in het leven roept. Het niet respecteren van deze passage kan met andere woorden niet opgevat worden als een overtreding van het huishoudelijk reglement. In het voorliggend dossier kan de kwalificatie van de feiten als het niet-naleven van het huishoudelijk reglement volgens de klachtencommissie dan ook niet overeind blijven.
Gelet op deze tekortkomingen oordeelt de klachtencommissie dat de tuchtbeslissing niet voldoet aan artikel 144, §6, tweede lid j° artikel 8 Basiswet. De klacht is gegrond. De nog lopende ATV-sanctie dient onmiddellijk te worden stopgezet. De klachtencommissie kent geen verdere tegemoetkoming toe.