Ga verder naar de inhoud

KC06/25-0182

Fondée KC - Dendermonde Commission des plaintes Disciplinaire
TUCHT - KWALIFICATIE FEITEN - MOTIVERING

De directeur heeft zich voor het bewezen zijn van de feiten gebaseerd op de materiële vaststellingen zoals opgenomen in het RAD van 1 juni 2025. Hierin wordt beschreven hoe klager uit ontevredenheid over zijn eten meermaals hard op zijn deur klopte. Bij het opendoen van de deur om zijn plateau mee te nemen doet klager een stap uit zijn cel en zegt “ik blijf hier staan en ga niet op cel! Druk maar op uw alarm als het moet! Of moet ik hier iemand doodslaan tot ik deftig eten krijg!”. Klager werd meermaals gevraagd om op cel te gaan maar weigerde. Hij werd uiteindelijk door de beambte naar binnen begeleid. Ter tuchtzitting betwist klager de feiten niet maar stelt hij dat hij het recht heeft om te protesteren aangezien zijn probleem maar niet opgelost geraakt. Ter tuchtzitting bracht klager aldus geen tegenindicaties aan die doen twijfelen over de waarachtigheid van het RAD. De klachtencommissie acht het dan ook redelijk dat de directie de erin opgenomen feiten bewezen achtte.

De directie kwalificeerde de feiten (volgens de aankruising in de tabel) als de opzettelijke aantasting van de fysieke integriteit van personen, of de bedreiging daarmee (artikel 129, 1° Basiswet), het niet naleven van de door het huishoudelijk reglement voorgeschreven bepalingen (artikel 130, 2° Basiswet) en het geen gevolg geven aan de aanmaningen en de bevelen van het personeel van de gevangenis (artikel 130, 3° Basiswet). De klachtencommissie acht de kwalificatie en de motivering op verschillende punten gebrekkig. De klachtencommissie wijst erop dat het niet de bedoeling is dat de motivering enkel kan begrepen worden door ze samen te lezen met het RAD. De directie dient de feiten die in het RAD werden beschreven in de motivering zelf te hernemen (kort omschrijven) alvorens over te gaan tot de kwalificatie. Enkel op die manier is het duidelijk welke feiten door de directie als bewezen worden beschouwd en welke kwalificatie ze eraan geeft. In het voorliggend dossier is de motivering van de tuchtbeslissing immers voornamelijk een opsomming van bepalingen uit de Basiswet en het huishoudelijk reglement, zonder een en ander te koppelen aan het concrete gedrag van klager.

De klachtencommissie acht de kwalificatie van de feiten als de opzettelijke aantasting van de fysieke integriteit van personen, of de bedreiging daarmee (artikel 129, 1° Basiswet) op zich wel correct. Zoals gezegd diende de directie echter de concrete uitspraak van klager die zij als zodanig beschouwt, te hernemen in de motivering. De directie stelde dat de feiten ook een inbreuk op het huishoudelijk reglement uitmaakten. De klachtencommissie vindt dit niet correct. De klachtencommissie wijst erop dat de algemene bepaling van het huishoudelijk reglement waarnaar de directie verwijst een loutere overname is van de algemene gedragsvoorschriften van artikel 106, §1 en §2 Basiswet en dat deze bepaling daardoor op zichzelf géén tuchtinbreuk in het leven roept. Het niet respecteren van deze passage kan met andere woorden niet opgevat worden als een overtreding van het huishoudelijk reglement. Deze kwalificatie dient geschrapt te worden.

De klachtencommissie acht de kwalificatie van de feiten als het geen gevolg geven aan de aanmaningen en de bevelen van het personeel van de gevangenis (artikel 130, 3° Basiswet) op zich correct, doch merkt nogmaals op dat deze aanmaning hernomen had moeten worden in de tuchtbeslissing zelf opdat de motivering voldoende duidelijk zou zijn. Ook hier is het verwijzen naar een passage uit het huishoudelijk reglement die een loutere overname vormt van het algemene gedragsvoorschrift uit artikel 106, §2 Basiswet niet pertinent en potentieel verwarrend. De bepaling van artikel 130, 3° Basiswet is ook hier de (enige) rechtsgrond om het niet volgen van bevelen te kwalificeren als een tuchtinbreuk.

Gelet op deze tekortkomingen inzake de kwalificatie van de feiten en de motivering ervan, oordeelt de klachtencommissie dat de tuchtbeslissing niet voldoet aan artikel 144, §6, tweede lid j° artikel 8 Basiswet. De klacht is gegrond.