KC06/25-0181
Fondée
KC - Dendermonde
Commission des plaintes
Autre décision directeur
Disciplinaire
TERMIJN - TUCHT - KWALIFICATIE FEITEN - MOTIVERING - HOREN
De klachtencommissie vindt het op basis van het schrijven van klager niet duidelijk tegen welk verzuim klager klacht wenst in te dienen. Klager zegt enkel op vage wijze dat hij bedreigd wordt door medegedetineerden en dat hij dit al ‘sinds het begin’ gemeld heeft. Klager vermeldt daarbij niet wanneer of op welke wijze hij de directie hiervan heeft ingelicht. Welke termijn er zodoende verstreken zou zijn tussen het indienen van het rapportbriefje en het verzuim om hierop te antwoorden of naar te handelen is onduidelijk. De klachtencommissie wijst erop dat klager deze klacht pas op papier zette op dezelfde dag als dat de twee RAD’s werden opgemaakt ten gevolge waarvan klager nadien een tuchtbeslissing kreeg. De klacht is niet-ontvankelijk.
Klager beklaagt zich over een tuchtbeslissing. De directeur heeft zich voor het bewezen zijn van de feiten gebaseerd op de materiële vaststellingen zoals opgenomen in het RAD. Hierin wordt beschreven dat klager in de wachtzaal bij de dokter in een discussie verwikkeld geraakt met een medegedetineerde. Deze discussie liep uit de hand en de medegedetineerde gaf klager een slag in het gezicht. Klager reageerde hierop door zelf een slag uit te delen, doch deze werd door de medegedetineerde ontweken. De chef kwam vervolgens tussen. Klager ontving ook op 21 mei 2025 een RAD dat ter tuchtzitting werd behandeld, doch hiervoor werd hij niet gesanctioneerd omdat hij als slachtoffer werd aangemerkt. Ter tuchtzitting stelt klager dat hij werd aangevallen en dat hij zich verdedigde. Hij zou eerder al bedreigd zijn geweest door deze medegedetineerde. Klager zou hiervan al melding gemaakt hebben. Ter tuchtzitting bracht klager geen tegenindicaties aan die doen twijfelen aan de waarachtigheid van het RAD. De klachtencommissie acht het dan ook redelijk dat de directie de erin opgenomen feiten (klager probeerde een slag uit te delen aan een medegedetineerde) bewezen achtte.
De klachtencommissie acht de tuchtbeslissing en met name de motivering op verschillende punten gebrekkig. De klachtencommissie wijst er vooreerst op dat het niet de bedoeling is dat de motivering en dus de tuchtbeslissing enkel kan begrepen worden door ze samen te lezen met het RAD. De directie dient de feiten die in het RAD werden beschreven in de motivering zelf te hernemen (kort omschrijven) alvorens over te gaan tot de kwalificatie. Enkel op die manier is het duidelijk welke feiten door de directie als bewezen worden beschouwd en welke kwalificatie ze eraan geeft. De directie kwalificeerde de feiten (volgens de aankruising in de tabel) als de opzettelijke aantasting van de fysieke integriteit van personen, of de bedreiging daarmee (artikel 129, 1° Basiswet). In de motivering werd er ook nog verwezen naar het niet naleven van de door het huishoudelijk reglement voorgeschreven bepalingen (artikel 130, 2° Basiswet). Deze inbreuk werd niet aangekruist.
De klachtencommissie acht de kwalificatie van de feiten als de opzettelijke aantasting van de fysieke integriteit van personen, of de bedreiging daarmee (artikel 129, 1° Basiswet) op zich wel correct. De klachtencommissie vindt ook dat fysieke agressie uit den boze is. Het (proberen) uitdelen van een slag aan een medegedetineerde overstijgt volgens de klachtencommissie bovendien ook de zelfverdediging, aangezien dit verder gaat dan het louter afweren van een slag.
In de motivering wordt ook nog melding gemaakt van het niet naleven van de door het huishoudelijk reglement voorgeschreven bepalingen (artikel 130, 2° Basiswet). doch dit werd niet als zodanig aangegeven in de tabel, noch daarboven. Toch werd klager voor beide inbreuken bestraft. De klachtencommissie wijst erop dat de algemene bepaling van het huishoudelijk reglement waarnaar de directie verwijst een loutere overname is van de algemene gedragsvoorschriften van artikel 106, §1 en §2 Basiswet en dat deze bepaling daardoor op zichzelf géén tuchtinbreuk in het leven roept. Het niet respecteren van deze passage kan met andere woorden niet opgevat worden als een overtreding van het huishoudelijk reglement. Deze kwalificatie dient geschrapt te worden uit de motivering.
De klachtencommissie leest in de motivering van de tuchtbeslissing dat de directie bij het nemen van haar beslissing het weerspannig gedrag van klager in aanmerking heeft genomen: “Bij beide incidenten bleek betrokkene zeer weerspannig te zijn, aldus de getuigen dewelke aanwezig waren bij de incidenten.” De klachtencommissie vindt het opmerkelijk dat de directie verwijst naar “beide incidenten”, aangezien klager bij het incident van 21 mei 2025 als slachtoffer werd aangemerkt. Daarnaast stelt de klachtencommissie vast dat de getuigen die aanwezig waren bij de incidenten klaarblijkelijk werden gehoord, nu er omtrent deze weerspannigheid niets uit de RAD’s zelf blijkt. Dit gebeurde in afwezigheid van klager. De verklaringen van deze getuigen werden vervolgens als argument gebruikt in het nadeel van klager. De klachtencommissie stelt dan ook vast dat het recht op tegenspraak geschonden werd, nu de beslissing werd genomen op gronden waarop klager zich niet heeft kunnen verdedigen.
Gelet op de onnauwkeurigheid waarmee de tuchtbeslissing werd opgesteld evenals de schending van het recht op tegenspraak, oordeelt de klachtencommissie dat de tuchtbeslissing niet voldoet aan artikel 144, §5, vijfde lid en §6, tweede lid j° artikel 8 Basiswet. De klacht is gegrond.
De klachtencommissie vindt het op basis van het schrijven van klager niet duidelijk tegen welk verzuim klager klacht wenst in te dienen. Klager zegt enkel op vage wijze dat hij bedreigd wordt door medegedetineerden en dat hij dit al ‘sinds het begin’ gemeld heeft. Klager vermeldt daarbij niet wanneer of op welke wijze hij de directie hiervan heeft ingelicht. Welke termijn er zodoende verstreken zou zijn tussen het indienen van het rapportbriefje en het verzuim om hierop te antwoorden of naar te handelen is onduidelijk. De klachtencommissie wijst erop dat klager deze klacht pas op papier zette op dezelfde dag als dat de twee RAD’s werden opgemaakt ten gevolge waarvan klager nadien een tuchtbeslissing kreeg. De klacht is niet-ontvankelijk.
Klager beklaagt zich over een tuchtbeslissing. De directeur heeft zich voor het bewezen zijn van de feiten gebaseerd op de materiële vaststellingen zoals opgenomen in het RAD. Hierin wordt beschreven dat klager in de wachtzaal bij de dokter in een discussie verwikkeld geraakt met een medegedetineerde. Deze discussie liep uit de hand en de medegedetineerde gaf klager een slag in het gezicht. Klager reageerde hierop door zelf een slag uit te delen, doch deze werd door de medegedetineerde ontweken. De chef kwam vervolgens tussen. Klager ontving ook op 21 mei 2025 een RAD dat ter tuchtzitting werd behandeld, doch hiervoor werd hij niet gesanctioneerd omdat hij als slachtoffer werd aangemerkt. Ter tuchtzitting stelt klager dat hij werd aangevallen en dat hij zich verdedigde. Hij zou eerder al bedreigd zijn geweest door deze medegedetineerde. Klager zou hiervan al melding gemaakt hebben. Ter tuchtzitting bracht klager geen tegenindicaties aan die doen twijfelen aan de waarachtigheid van het RAD. De klachtencommissie acht het dan ook redelijk dat de directie de erin opgenomen feiten (klager probeerde een slag uit te delen aan een medegedetineerde) bewezen achtte.
De klachtencommissie acht de tuchtbeslissing en met name de motivering op verschillende punten gebrekkig. De klachtencommissie wijst er vooreerst op dat het niet de bedoeling is dat de motivering en dus de tuchtbeslissing enkel kan begrepen worden door ze samen te lezen met het RAD. De directie dient de feiten die in het RAD werden beschreven in de motivering zelf te hernemen (kort omschrijven) alvorens over te gaan tot de kwalificatie. Enkel op die manier is het duidelijk welke feiten door de directie als bewezen worden beschouwd en welke kwalificatie ze eraan geeft. De directie kwalificeerde de feiten (volgens de aankruising in de tabel) als de opzettelijke aantasting van de fysieke integriteit van personen, of de bedreiging daarmee (artikel 129, 1° Basiswet). In de motivering werd er ook nog verwezen naar het niet naleven van de door het huishoudelijk reglement voorgeschreven bepalingen (artikel 130, 2° Basiswet). Deze inbreuk werd niet aangekruist.
De klachtencommissie acht de kwalificatie van de feiten als de opzettelijke aantasting van de fysieke integriteit van personen, of de bedreiging daarmee (artikel 129, 1° Basiswet) op zich wel correct. De klachtencommissie vindt ook dat fysieke agressie uit den boze is. Het (proberen) uitdelen van een slag aan een medegedetineerde overstijgt volgens de klachtencommissie bovendien ook de zelfverdediging, aangezien dit verder gaat dan het louter afweren van een slag.
In de motivering wordt ook nog melding gemaakt van het niet naleven van de door het huishoudelijk reglement voorgeschreven bepalingen (artikel 130, 2° Basiswet). doch dit werd niet als zodanig aangegeven in de tabel, noch daarboven. Toch werd klager voor beide inbreuken bestraft. De klachtencommissie wijst erop dat de algemene bepaling van het huishoudelijk reglement waarnaar de directie verwijst een loutere overname is van de algemene gedragsvoorschriften van artikel 106, §1 en §2 Basiswet en dat deze bepaling daardoor op zichzelf géén tuchtinbreuk in het leven roept. Het niet respecteren van deze passage kan met andere woorden niet opgevat worden als een overtreding van het huishoudelijk reglement. Deze kwalificatie dient geschrapt te worden uit de motivering.
De klachtencommissie leest in de motivering van de tuchtbeslissing dat de directie bij het nemen van haar beslissing het weerspannig gedrag van klager in aanmerking heeft genomen: “Bij beide incidenten bleek betrokkene zeer weerspannig te zijn, aldus de getuigen dewelke aanwezig waren bij de incidenten.” De klachtencommissie vindt het opmerkelijk dat de directie verwijst naar “beide incidenten”, aangezien klager bij het incident van 21 mei 2025 als slachtoffer werd aangemerkt. Daarnaast stelt de klachtencommissie vast dat de getuigen die aanwezig waren bij de incidenten klaarblijkelijk werden gehoord, nu er omtrent deze weerspannigheid niets uit de RAD’s zelf blijkt. Dit gebeurde in afwezigheid van klager. De verklaringen van deze getuigen werden vervolgens als argument gebruikt in het nadeel van klager. De klachtencommissie stelt dan ook vast dat het recht op tegenspraak geschonden werd, nu de beslissing werd genomen op gronden waarop klager zich niet heeft kunnen verdedigen.
Gelet op de onnauwkeurigheid waarmee de tuchtbeslissing werd opgesteld evenals de schending van het recht op tegenspraak, oordeelt de klachtencommissie dat de tuchtbeslissing niet voldoet aan artikel 144, §5, vijfde lid en §6, tweede lid j° artikel 8 Basiswet. De klacht is gegrond.