Ga verder naar de inhoud

KC06/25-0160

Non fondée KC - Dendermonde Commission des plaintes Autre décision directeur Disciplinaire
TUCHT - ARBEID - ONTSLAG

Klager werd tuchtrechtelijk gesanctioneerd wegens:

- Het beledigen van personen die zich in de gevangenis bevinden
- Het niet-naleven van de door het huishoudelijk reglement voorgeschreven bepalingen
- Het geen gevolg geven aan de aanmaningen en de bevelen van het personeel.

Uit het verslag van de hoorzitting blijkt dat klager van mening was dat de beambte de richtlijnen voor de fouille aan de kledij niet naleefde omdat hij klager had aangeraakt ter hoogte van de schaamstreek. Klager vraagt in zijn klacht om de camerabeelden te bekijken. Uit het tuchtdossier blijkt niet dat de directie camerabeelden heeft geconsulteerd. De directie is ook niet verplicht om camerabeelden te consulteren. Wanneer zij meent dat de weergave van de feiten in de rapporten aan de directeur (RAD) voldoende duidelijk is om de feiten als bewezen te verklaren, zal zij dit niet nodig achten en is het dan ook niet verplicht om getuigen te horen of om camerabeelden te bekijken. De klachtencommissie is van oordeel dat de directie zich kon steunen op de vaststellingen van de twee personeelsleden die elk afzonderlijk een rapport opstelden waarin een gelijkaardige beschrijving van de feiten wordt weergegeven. De directie heeft in de tuchtbeslissing duidelijk geformuleerd waarom de feiten werden gekwalificeerd als de weerhouden tuchtinbreuken. De klachtencommissie besluit dat de directeur in redelijkheid en billijkheid de tuchtinbreuken kon bewezen verklaren. De directeur legde een algemene tuchtsanctie op in de vorm van vijftien dagen ATV. Voor een tuchtinbreuk van tweede categorie is dat de wettelijk toegestane maximumsanctie. De tuchtsanctie was dus wettig. De klachtencommissie is van oordeel dat de sanctie ook niet onredelijk of onbillijk was. Om deze redenen is de klacht tegen de tuchtbeslissing ongegrond.

Uit de schriftelijke ontslagbeslissing blijkt dat de directie beslist heeft om klager te ontslaan als medewerker in de grootkeuken. Op grond van de Basiswet heeft een gedetineerde het recht om deel te nemen aan de in de gevangenis beschikbare arbeid. Het is de directeur die bevoegd is voor de toewijzing van de beschikbare arbeid aan de gedetineerde die erom vraagt. Deze bevoegdheid van de directeur wordt niet nader geregeld in de Basiswet. De beslissingen die de directeur in dit kader neemt, moeten dus niet aan specifieke voorwaarden voldoen. Het toewijzen van arbeid is met andere woorden een discretionaire en geen gebonden bevoegdheid van de directeur. Dit betekent dat de directeur vrij oordeelt over de geschiktheid van een gedetineerde voor een bepaalde werkplaats of een bepaalde functie. De beslissing om iemand te ontslaan uit een functie moet wel aan een aantal algemene voorwaarden voldoen. Alle beslissingen die in het kader van de Basiswet worden genomen, moeten immers met redenen omkleed zijn. De redenen van de beslissing dienen de gedetineerde toe te laten te begrijpen waarom het werk niet langer als “passend werk” kan worden beschouwd. Daarnaast kan de directie die een gedetineerde wil ontslaan, zich baseren op een dienstnota van de Directie Juridische Dienst bij DG EPI van 28.11.2024. In deze dienstnota is voorzien dat de directie een gedetineerde mag ontslaan wanneer de gedetineerde niet langer geschikt is voor de arbeidspost. Die maatregel wordt in alle gevallen schriftelijk genomen en gemotiveerd. De motivering moet de gedetineerde toelaten te begrijpen waarom hij niet langer als “geschikt” wordt beschouwd. De gedetineerde kan hierna onmiddellijk een nieuwe werkaanvraag doen die door de directeur beoordeeld wordt.

Uit de schriftelijke ontslagbeslissing blijkt dat de directie klager niet langer geschikt vond voor de arbeidspost omwille van de verschillende meldingen in zijn observatiefiche hoewel klager in januari al twee waarschuwingen had gekregen tijdens het rapport bij de directie. De directie meent dat klager desondanks de geboden laatste kans zijn werkattitude niet heeft verbeterd. Klager zou onvoldoende werken, zou niet tijdig klaar staan en zou de resten van het beleg zelf hebben opgegeten terwijl dat niet de bedoeling was. De klachtencommissie meent dat de directie op basis van de observatiefiche van klager rechtmatig tot het ontslag van klager heeft beslist. Om deze redenen meent de klachtencommissie dat de klacht tegen het ontslag ongegrond is.