Ga verder naar de inhoud

KC06/25-0136

Non fondée Fondée KC - Dendermonde Commission des plaintes Disciplinaire Fouille à corps
UITVOERING FOUILLE LICHAAM - TUCHT - VERBODEN SUBSTANTIES - BEWIJS - TEGEMOETKOMING

De klacht is gericht tegen de uitvoering van een fouillering op het lichaam (naaktfouille) en een tuchtbeslissing.

Wat betreft de uitvoering van de naaktfouille: klager zou geen handdoek hebben gekregen tijdens de naaktfouille. In Collectieve Brief 141 wordt nader en meer specifiek geregeld welke stappen er bij een fouillering op het lichaam moeten worden uitgevoerd. Als één van de eerste stappen staat beschreven dat hoe er aan de gedetineerde een handdoek dient te worden overhandigd. In deze specifieke zaak betreft het woord-tegen-woord situatie. De klachtencommissie is van oordeel dat klager niet op een geloofwaardige wijze aannemelijk heeft gemaakt dat zijn fouillering op het lichaam op incorrecte wijze zou zijn uitgevoerd. Om deze redenen is de klacht niet gegrond.

Wat betreft de tuchtbeslissing: klager werd tuchtrechtelijk gesanctioneerd voor ‘het bezit van of de handel in door of krachtens de wet verboden voorwerpen of substanties’. Hij kreeg hiervoor een sanctie van 5 dagen ATV opgelegd.

In het RAD wordt beschreven hoe de bruine brok verboden substanties op een bureau naast het bed van klager gevonden werd. Tijdens de hoorzitting van de klachtencommissie verduidelijkt de directie dat dit bureau volgens de opgemaakte celstaat aan klager toebehoorde. Hierdoor werd er verondersteld dat de hierop aangetroffen substantie van hem was. Daarnaast wordt er in de motivering van de beslissing verwezen naar observatiefiches die een verdachte geur beschrijven op de cel van klager, ook toen hij nog op een monocel zat.

Op de tuchtrechtelijke hoorzitting ontkent klager dat de gevonden substanties van hem waren. Hij rookt niet en meldt dat hij in de badkamer was toen zijn celgenoot aan het roken was. Zijn celgenoten hebben ook toegeven dat de substanties aan hem toebehoorden.

Klager verbleef met twee andere personen op cel. Gelet op het vermoeden van onschuld dient de directie te motiveren waarom ze de feiten ‘van bezit’ specifiek aan klager toerekent. Deze toerekening betreft een individuele toerekening. Het belang van de individuele toerekening vindt steun in de parlementaire voorbereiding bij de Basiswet. Het verbod van collectieve straffen wordt aangehaald als één van de beginselen die een correcte toepassing van het tuchtrecht in het gevangeniswezen moeten garanderen.
De klachtencommissie is van oordeel dat er, gelet op het haar overgemaakte tuchtdossier, onvoldoende bewijzen voorhanden waren die de toerekenbaarheid van de tuchtinbreuk van bezit aan klager aantonen. Afgezien van de verwijzing naar oudere observatiefiches en de vaststelling dat de bruine brok op klager zijn ‘toegewezen’ bureau gevonden werd, wordt er onvoldoende gemotiveerd waarom de aangetroffen substantie effectief van hem was. Op de hoorzitting verduidelijkt klager dat er slechts 1 bureau en 1 tafel in de cel zijn, die door iedereen gebruikt worden. Klager ontkende ook direct na de vaststelling, alsook op de tuchtrechtelijke hoorzitting dat de substantie van hem was en verduidelijkte dat hij op het moment van de vaststelling niet eens aanwezig was in de cel. Ten slotte hebben klager zijn celgenoten reeds toegegeven dat de substanties aan hen toebehoorden.

Wat betreft dit laatste, argumenteert de directie dat er op de tuchtrechtelijke hoorzittingen van de celgenoten andere verklaringen afgelegd zijn geweest, welke wel degelijk wezen in de richting van klager. De klachtencommissie heeft hier echter geen enkel zicht op, aangezien deze verslagen op geen enkel moment aan haar werden overgemaakt.

De klachtencommissie is van oordeel dat de directie niet in redelijkheid en billijkheid kon besluiten tot het bewezen zijn van de inbreuk “bezit van de door de wet verboden substanties” en de toerekenbaarheid van deze inbreuk aan klager.

De klacht over de tuchtbeslissing is aldus gegrond.

De klachtencommissie kent aan klager een tegemoetkoming toe in de vorm van een extra ongestoord bezoek.