Ga verder naar de inhoud

KC06/24-0180

Fondée KC - Dendermonde Commission des plaintes Disciplinaire
TUCHT - ATV - GEGROND

De klacht is gericht tegen de tuchtbeslissing van 17 juli 2024 van de directie van de gevangenis van Dendermonde.

In principe mag de directie voor het bewijs van bepaalde feiten steunen op een RAD, tenzij er tegenindicaties blijken of worden aangevoerd waardoor er twijfels zouden rijzen omtrent de waarachtigheid van dit RAD. De directeur moet deze tegenindicaties dan onderzoeken en beoordelen.

De klachtencommissie merkt op dat de directie in haar tuchtbeslissing noteert dat er sprake is van ‘de opzettelijke aantasting van de psychische integriteit van personen, of de bedreiging daarmee’. Deze inbreuk lijkt echter niet weerhouden te zijn in de aangekruiste tuchtinbreuken. Hetzelfde geldt voor de tuchtinbreuk m.b.t. de beledigingen. De directie schrijft in de beslissing ook dat klager verbaal agressief was; een element dat de klachtencommissie niet terugvindt in het RAD.

Uit het verslag van de tuchtrechtelijke hoorzitting blijkt dat klager meermaals heeft gevraagd om de camerabeelden te bekijken. De directie ging hier niet op in en gaf ook geen verklaring waarom niet.

De klachtencommissie brengt in herinnering dat er op de directie geen verplichting rust om camerabeelden te bekijken, voor zover er geen tegenindicaties zijn waardoor getwijfeld kan worden aan de feiten zoals beschreven in het RAD. De directie beslist in dat geval autonoom of zij het bekijken van de camerabeelden nuttig acht. Zij dient zich wel steeds alle nuttige informatie te laten bezorgen voor de beoordeling van de zaak. Het stellen van bijkomende onderzoeksdaden, zoals het opvragen van camerabeelden, is wel nodig indien dit noodzakelijk blijkt om tot een zorgvuldige feitenvinding te komen. Dit kan het geval zijn indien de directie de tuchtrapporten hanteert als enige basis om tot een tuchtbeslissing te komen, maar de gedetineerde tegenindicaties oproept zodat er gerede twijfel rijst over de juistheid van de rapporten. De tuchtrapporten kunnen dan niet zonder nader onderzoek als grondslag voor de tuchtstraf worden gebruikt. De klachtencommissie meent dat dit in voorliggende zaak het geval was: gelet op het RAD, waaruit de rol van klager allerminst duidelijk is, had de directie in het kader van haar zorvuldigheidsplicht en onderzoeksplicht, moeten ingaan op klagers vraag om de camerabeelden te bekijken.

De klachtencommissie merkt ten slotte op dat uit het dossier niet blijkt dat de uitlating van de beambte naar klager toe, werd onderzocht. Dit was nochtans de aanleiding van het hele gebeuren, en het enige element in dit dossier. De klachtencommissie meent dat ook dit aspect deel uitmaakt van de zorgvuldigheids- en onderzoeksplicht van de directie.

De klachtencommissie concludeert dat het dossier allerminst duidelijk is en er ernstige twijfel bestaat omtrent het aandeel van klager in de feiten. Op basis van een onduidelijk dossier, kan er dan ook geen tuchtsanctie worden uitgesproken. Zij acht de weerhouden tuchtinbreuken ten aanzien van klager, niet bewezen.

Om al deze redenen is de klacht gegrond. De klachtencommissie vernietigt de tuchtbeslissing en zegt dat deze geschrapt dient te worden uit het tuchtregister van klager.

Klager gaf aan geen afzonderlijke tegemoetkoming te wensen. Om deze reden kent de klachtencommissie dan ook geen afzonderlijke tegemoetkoming toe.