Ga verder naar de inhoud

KC06/24-0170

Fondée Irrecevable KC - Dendermonde Commission des plaintes Disciplinaire Fouille à corps
FOUILLE OP HET LICHAAM - NIET ONTVANKELIJK - TUCHT - GEGROND

De klacht betreft de beslissing tot fouillering op het lichaam en de tuchtbeslissing van de directie van de gevangenis van Dendermonde.

Wat betreft de naaktfouille: klager duidt op zijn klachtenformulier aan dat hij klacht indient tegen een naaktfouille. Echter blijkt uit het verweer en de verklaringen op zitting dat er geen naaktfouille heeft plaatsgevonden. Er werd dus geen beslissing genomen door de directeur ten aanzien van klager in dit kader. De klacht is niet-ontvankelijk.

Wat betreft de tuchtbeslissing: de directie moet bij de uitoefening van haar appreciatiebevoegdheid over de tuchtrechtelijke vaststelling van de feiten in het bijzonder rekening houden met het vermoeden van onschuld. Dat is een fundamenteel beginsel van het tuchtrecht, dat inhoudt dat iemand die tuchtrechtelijk wordt vervolgd onschuldig is tot zijn schuld in rechte is komen vast te staan.

Uit het dossier blijkt dat er een 0,5 gram bruine verdachte substantie werd aangetroffen bij de controle van klagers kledij toen hij terugkwam uit uv. De broek waarin de substantie gevonden werd, was volgens klager eigendom van de inrichting.

De klachtencommissie meent dat de directeur onvoldoende onderzocht heeft of de tuchtinbreuk op basis van de verboden substantie individueel aan klager kon worden toegerekend. Zo heeft klager tijdens de tuchtrechtelijke hoorzitting aangevoerd dat de broek niet de zijne was en dat de verboden substantie er al eerder in zat. Wat betreft het eerste punt, merkt de klachtencommissie op dat de directie dit niet kon bevestigen noch weerleggen (zo volgt uit de tuchtbeslissing). Ter zitting van de klachtencommissie stelde de directeur m.b.t. het tweede punt dat ze dit bij de onthaalmedewerker heeft nagevraagd, die hierop reageerde maar zonder een sluitend antwoord te geven. De klachtencommissie meent dat de directie onvoldoende heeft bewezen dat feiten aan klager konden worden toegerekend.

De klachtencommissie merkt bovendien op dat klager tijdens de tuchtrechtelijke hoorzitting heeft nagevraagd om het bewijsmateriaal te zien. Hiervan maakt hij ook melding in zijn klacht. De directeur antwoordde hierop dat dat op dat moment niet mogelijk was, omdat het naar de politie zou worden gestuurd. Uit klagers verklaringen ter zitting van de klachtencommissie blijkt dat hij de substantie nooit te zien heeft gekregen. De klachtencommissie meent dat dit een schending uitmaakt van het recht op tegenspraak zoals gewaarborgd door artikel 6, §1 EVRM. Het recht op tegenspraak houdt onder meer in dat alle partijen kennis hebben van het aangebrachte bewijs en in de mogelijkheid worden gesteld om hierop te reageren.

De beslissing van de directie is derhalve niet genomen met inachtneming van de wettelijke bepalingen.

Om deze reden is de klacht gegrond. De klachtencommissie draagt de directie op om de tuchtbeslissing uit het tuchtregister van klager te schrappen. Zij meent dat dit volstaat als tegemoetkoming.