KC06/24-0116
Non fondée
Irrecevable
KC - Dendermonde
Commission des plaintes
Mesure provisoire
Disciplinaire
Pas de décision du directeur
Mesure d'ordre
VOORLOPIGE MAATREGEL - ORDEMAATREGEL - ARBEID - GEEN BESLISSING VAN DE DIRECTEUR - BEVOEGDHEID - TUCHT
De klacht betreft meerdere beslissingen van de directie van de gevangenis.
Over de voorlopige maatregel en de tuchtsanctie:
De klacht is zonder voorwerp in zoverre deze is gericht tegen een voorlopige maatregel. Immers werd er blijkens het administratief dossier hoegenaamd geen voorlopige maatregel opgelegd.
Inzake de voorwaardelijk opgelegde tuchtsanctie zet klager in zijn klacht geenszins uiteen waarom hij het oneens is met de motivering of straftoemeting. Uit het verslag van de tuchtrechtelijke hoorzitting blijkt dat klager op zich zijn bedreigende uitspraken niet betwist, maar deze zelf minimaliseert omdat hij slechtgezind was door de manier waarop de gevangenis met zijn kledij was omgegaan.
De sanctie werd bewust voorwaardelijk opgelegd om klager de kans te geven zich te herpakken, zoals ook werd weergegeven in de motivering.
Gelet op het bovenstaande komt de bestreden tuchtsanctie de klachtencommissie niet voor als onredelijk of onbillijk, laat staan onwettig.
Aangezien klager tot slot weigerde te verschijnen op de zitting van de klachtencommissie, heeft hij of zijn raadsman de klachtencommissie ook geen andere informatie aangereikt die haar tot een ander oordeel zou kunnen brengen.
De klacht tegen de tuchtbeslissing is dan ook ongegrond.
Over de natte resp. verdwenen kledij:
De klachtencommissie merkt op dat er enerzijds sprake is van natte kledij en anderzijds van verdwenen kledij.
Het aantreffen van zijn natte kledij blijkt de directe aanleiding te zijn geweest van het feit dat klager slecht gezind aan het onthaal door de metaaldetector stapte. Dit kan evenwel geen rechtvaardiging zijn voor de geuite mondelinge bedreigingen.
Wat betreft de verdwenen kledij waarvan sprake, verwijst de directeur bovendien naar het opgestelde zaakschaderapport, zodat er hoe dan ook geen sprake is van een beslissing van de directeur. De klacht is aldus onontvankelijk wat betreft de verdwenen kledij.
Over de afzetting van de werkerslijst:
Klager was tot slot niet tewerkgesteld, maar stond op de werkerslijst.
Inzoverre de klacht gericht is tegen een ordemaatregel ‘afzetting van werk’, is deze zonder voorwerp.
Inzoverre klager het verlies van zijn plaats op de werkerslijst hekelt, betwist hij in essentie dat hij eerdere werkaanbiedingen heeft geweigerd.
De beroepscommissie stelt evenwel vast dat de directeur hieromtrent e-mailverkeer aan het administratief dossier toevoegt, dat thans niet wordt tegengesproken door klager. De klacht inzake zijn plaats op de werkerslijst is, voor zover ontvankelijk, ongegrond.
De klacht betreft meerdere beslissingen van de directie van de gevangenis.
Over de voorlopige maatregel en de tuchtsanctie:
De klacht is zonder voorwerp in zoverre deze is gericht tegen een voorlopige maatregel. Immers werd er blijkens het administratief dossier hoegenaamd geen voorlopige maatregel opgelegd.
Inzake de voorwaardelijk opgelegde tuchtsanctie zet klager in zijn klacht geenszins uiteen waarom hij het oneens is met de motivering of straftoemeting. Uit het verslag van de tuchtrechtelijke hoorzitting blijkt dat klager op zich zijn bedreigende uitspraken niet betwist, maar deze zelf minimaliseert omdat hij slechtgezind was door de manier waarop de gevangenis met zijn kledij was omgegaan.
De sanctie werd bewust voorwaardelijk opgelegd om klager de kans te geven zich te herpakken, zoals ook werd weergegeven in de motivering.
Gelet op het bovenstaande komt de bestreden tuchtsanctie de klachtencommissie niet voor als onredelijk of onbillijk, laat staan onwettig.
Aangezien klager tot slot weigerde te verschijnen op de zitting van de klachtencommissie, heeft hij of zijn raadsman de klachtencommissie ook geen andere informatie aangereikt die haar tot een ander oordeel zou kunnen brengen.
De klacht tegen de tuchtbeslissing is dan ook ongegrond.
Over de natte resp. verdwenen kledij:
De klachtencommissie merkt op dat er enerzijds sprake is van natte kledij en anderzijds van verdwenen kledij.
Het aantreffen van zijn natte kledij blijkt de directe aanleiding te zijn geweest van het feit dat klager slecht gezind aan het onthaal door de metaaldetector stapte. Dit kan evenwel geen rechtvaardiging zijn voor de geuite mondelinge bedreigingen.
Wat betreft de verdwenen kledij waarvan sprake, verwijst de directeur bovendien naar het opgestelde zaakschaderapport, zodat er hoe dan ook geen sprake is van een beslissing van de directeur. De klacht is aldus onontvankelijk wat betreft de verdwenen kledij.
Over de afzetting van de werkerslijst:
Klager was tot slot niet tewerkgesteld, maar stond op de werkerslijst.
Inzoverre de klacht gericht is tegen een ordemaatregel ‘afzetting van werk’, is deze zonder voorwerp.
Inzoverre klager het verlies van zijn plaats op de werkerslijst hekelt, betwist hij in essentie dat hij eerdere werkaanbiedingen heeft geweigerd.
De beroepscommissie stelt evenwel vast dat de directeur hieromtrent e-mailverkeer aan het administratief dossier toevoegt, dat thans niet wordt tegengesproken door klager. De klacht inzake zijn plaats op de werkerslijst is, voor zover ontvankelijk, ongegrond.