ORDEMAATREGEL - ARBEID - ONTSLAG
De klacht is gericht tegen de ordemaatregel (afzetting van werk) van de directie van de gevangenis.
Klager stelt in zijn schriftelijke klacht dat er wordt gezegd dat hij na het opruimen van het familiaal bezoek de zeep(pomp) zou hebben gemanipuleerd. Op de dag van zijn ontslag, wordt klager bij de directie geroepen en krijgt hij de boodschap dat de zeepdispensers zijn gemanipuleerd en dat dit problematisch is met het oog op het verstoppen of doorgeven van verboden substanties en voorwerpen. Het directielid zegt dat ze hem een waarschuwing geeft. Na enkele uren wordt klager terug opgeroepen. Het directielid deelt hem mee dat ze terugkomt op
haar beslissing, en hem ontslaat uit zijn functie.
Klager haalt aan dat de zeepdispensers moeten worden opengemaakt met een sleutel en dat dit een taak is van het gevangenispersoneel. Hij heeft geen sleutel en is niet verantwoordelijk voor het aanvullen van de zeep. Aangezien klager geen sleutel heeft, kon hij dus ook de zeepdispensers niet hebben losgemaakt. Hij geeft zelf aan dat, mocht hij de zeepdispensers hebben losgemaakt, hij dit had moeten doen aan de hand van geweld, aangezien hij niet in het bezit is van een sleutel. Hiervan zouden sporen zijn, en deze waren nu niet aanwezig. Klager zegt dat hij had vernomen dat de zeepdispensers in alle ruimtes voor ongestoord bezoek waren losgemaakt, en dat dit zijn onschuld bevestigde aangezien hij niet in alle ruimtes is geweest die dag. Klager zegt zeer gemotiveerd te zijn geweest om te werken, en door dit voorval hij eigenlijk geen zin meer heeft om te werken.
De directie verklaarde ter zitting het verhaal van klager geloofwaardig te achten, en stelde dat er een vergissing moet zijn gebeurd bij het evalueren van de zaak. De klachtencommissie kan, gelet op bovenstaande, niet anders dan besluiten dat de klacht tegen de ordemaatregel gegrond is.
De klacht is gericht tegen de ordemaatregel (afzetting van werk) van de directie van de gevangenis.
Klager stelt in zijn schriftelijke klacht dat er wordt gezegd dat hij na het opruimen van het familiaal bezoek de zeep(pomp) zou hebben gemanipuleerd. Op de dag van zijn ontslag, wordt klager bij de directie geroepen en krijgt hij de boodschap dat de zeepdispensers zijn gemanipuleerd en dat dit problematisch is met het oog op het verstoppen of doorgeven van verboden substanties en voorwerpen. Het directielid zegt dat ze hem een waarschuwing geeft. Na enkele uren wordt klager terug opgeroepen. Het directielid deelt hem mee dat ze terugkomt op
haar beslissing, en hem ontslaat uit zijn functie.
Klager haalt aan dat de zeepdispensers moeten worden opengemaakt met een sleutel en dat dit een taak is van het gevangenispersoneel. Hij heeft geen sleutel en is niet verantwoordelijk voor het aanvullen van de zeep. Aangezien klager geen sleutel heeft, kon hij dus ook de zeepdispensers niet hebben losgemaakt. Hij geeft zelf aan dat, mocht hij de zeepdispensers hebben losgemaakt, hij dit had moeten doen aan de hand van geweld, aangezien hij niet in het bezit is van een sleutel. Hiervan zouden sporen zijn, en deze waren nu niet aanwezig. Klager zegt dat hij had vernomen dat de zeepdispensers in alle ruimtes voor ongestoord bezoek waren losgemaakt, en dat dit zijn onschuld bevestigde aangezien hij niet in alle ruimtes is geweest die dag. Klager zegt zeer gemotiveerd te zijn geweest om te werken, en door dit voorval hij eigenlijk geen zin meer heeft om te werken.
De directie verklaarde ter zitting het verhaal van klager geloofwaardig te achten, en stelde dat er een vergissing moet zijn gebeurd bij het evalueren van de zaak. De klachtencommissie kan, gelet op bovenstaande, niet anders dan besluiten dat de klacht tegen de ordemaatregel gegrond is.