KC06/24-0072
Non fondée
KC - Dendermonde
Commission des plaintes
Mesure provisoire
Mesure de sécurité particulière
Mesure d'ordre
VOORLOPIGE MAATREGEL - BIJZONDERE VEILIGHEIDSMAATREGEL - VERBODEN SUBSTANTIES - ORDEMAATREGEL - BEZOEK
De klachten betreffen een voorlopige maatregel van 26/03/2024, een ordemaatregel van 28/03/2024 en een beslissing tot toepassing van een bijzondere veiligheidsmaatregel (hierna: BVM) van 28/03/2024 van de directie van de gevangenis.
Wat betreft de voorlopige maatregel van 26/03/2024:
Klager kreeg een voorlopige maatregel opgelegd gelet op het gevaar voor de orde of de veiligheid. De volgende voorlopige maatregel werd genomen: “uitsluiting van deelname aan volgende individuele of gemeenschappelijke activiteiten: uitsluiting alle gemeenschappelijke activiteiten”. De klachtencommissie buigt zich over de wettelijke voorwaarden van de VM. Ze gaat na of de directie redelijkerwijze kon besluiten dat klager “een gevaar voor de orde of de veiligheid” inhield.
De voorlopige maatregel is gemotiveerd en werd genomen door de directie. Gelet op de vondst van 90 gram hasj (‘een verdachte sterk geurende bruine substantie’), kon de directie beslissen dat er sprake was van een gevaar voor de orde of de veiligheid. Hierdoor was de beslissing tot het nemen van een voorlopige maatregel verantwoord. De voorlopige maatregel heeft geen bestraffend karakter. De directie kon de voorlopige maatregel opleggen. De klacht tegen de voorlopige maatregel van 26/03/2024 is dan ook ongegrond.
Wat betreft de bijzondere veiligheidsmaatregel van 28/03/2024:
De BVM werd opgelegd naar aanleiding van meerdere incidenten. Ten eerste stelt de BVM dat op 26/03/2024 90 gram hasj aangetroffen werd bij klager. De verdachte middelen waren verstopt in een condoom. Klager werd sinds oktober 2023 reeds zeven maal gesanctioneerd inzake het bezit van verboden substanties. De verboden middelen werden gevonden net voor de wandeling, wat de betrokkenheid bij het verhandelen van verboden substanties suggereert. Ten tweede heeft klager tevens verklaard dat hij onder druk werd gezet. Teneinde de orde en de veiligheid van de inrichting, alsook klager zelf te beschermen, werd een BVM opgelegd.
Het gaat om feiten die volgens de klachtencommissie gekwalificeerd kunnen worden als één of meerdere tuchtinbreuken. In principe vereist artikel 111, §2 van de Basiswet dat in een dergelijk geval eerst de tuchtprocedure wordt opgestart. Pas na de tuchtprocedure kan geoordeeld worden of een BVM nog nodig is. De klachtencommissie is echter van oordeel dat het mogelijk is dat de directie in een dergelijke situatie een BVM oplegt, wanneer zij enkel tot doel heeft om preventief een gevaar voor de orde of de veiligheid aan te pakken. De beslissing tot het opleggen van een BVM moet deze keuze duidelijk motiveren.
De klachtencommissie is van oordeel dat de directie in haar beslissing heeft gemotiveerd waarom zij een BVM oplegt. De BVM is duidelijk genomen met een preventief oogmerk gelet op het ongepaste gedrag van klager. Voor de klachtencommissie is het duidelijk dat de directie ten aanzien van klager niet gehandeld heeft met een repressief of bestraffend oogmerk. Om deze redenen is de klacht ongegrond.
Wat betreft de ordemaatregel van 28/03/2024:
De directie besliste tot de tijdelijke (gedurende drie maanden) oplegging van glasbezoek t.a.v. een bezoekster van klager van 29/03/2024 t.e.m. 26/06/2024. De klachtencommissie acht deze beslissing niet onwettig, onredelijk of onbillijk. Zij wenst de directie wel te wijzen op het feit dat het
aangewezen is om in de ordemaatregel zelf de concrete rechtsgrond te vermelden op basis waarvan de beslissing wordt genomen, meer specifiek welke van de drie hierboven aangehaalde hypotheses uit artikel 59, § 1, derde lid van de Basiswet de directie toepast.
Op basis van de beschikbare informatie is het voor de klachtencommissie duidelijk dat in ieder geval minstens één van deze beschreven situaties van toepassing is, met name de volgende situatie: “wanneer de gedetineerde of de bezoeker niet-toegelaten voorwerpen in de gevangenis heeft
binnengebracht”. Na het ongestoord bezoek met bezoekster werd 90 gram hasj in de gevangenis gebracht. Klager en zijn bezoekster kennen de regels, aangezien het niet het eerste bezoek betrof. De klacht is om deze redenen ongegrond.
De klachten betreffen een voorlopige maatregel van 26/03/2024, een ordemaatregel van 28/03/2024 en een beslissing tot toepassing van een bijzondere veiligheidsmaatregel (hierna: BVM) van 28/03/2024 van de directie van de gevangenis.
Wat betreft de voorlopige maatregel van 26/03/2024:
Klager kreeg een voorlopige maatregel opgelegd gelet op het gevaar voor de orde of de veiligheid. De volgende voorlopige maatregel werd genomen: “uitsluiting van deelname aan volgende individuele of gemeenschappelijke activiteiten: uitsluiting alle gemeenschappelijke activiteiten”. De klachtencommissie buigt zich over de wettelijke voorwaarden van de VM. Ze gaat na of de directie redelijkerwijze kon besluiten dat klager “een gevaar voor de orde of de veiligheid” inhield.
De voorlopige maatregel is gemotiveerd en werd genomen door de directie. Gelet op de vondst van 90 gram hasj (‘een verdachte sterk geurende bruine substantie’), kon de directie beslissen dat er sprake was van een gevaar voor de orde of de veiligheid. Hierdoor was de beslissing tot het nemen van een voorlopige maatregel verantwoord. De voorlopige maatregel heeft geen bestraffend karakter. De directie kon de voorlopige maatregel opleggen. De klacht tegen de voorlopige maatregel van 26/03/2024 is dan ook ongegrond.
Wat betreft de bijzondere veiligheidsmaatregel van 28/03/2024:
De BVM werd opgelegd naar aanleiding van meerdere incidenten. Ten eerste stelt de BVM dat op 26/03/2024 90 gram hasj aangetroffen werd bij klager. De verdachte middelen waren verstopt in een condoom. Klager werd sinds oktober 2023 reeds zeven maal gesanctioneerd inzake het bezit van verboden substanties. De verboden middelen werden gevonden net voor de wandeling, wat de betrokkenheid bij het verhandelen van verboden substanties suggereert. Ten tweede heeft klager tevens verklaard dat hij onder druk werd gezet. Teneinde de orde en de veiligheid van de inrichting, alsook klager zelf te beschermen, werd een BVM opgelegd.
Het gaat om feiten die volgens de klachtencommissie gekwalificeerd kunnen worden als één of meerdere tuchtinbreuken. In principe vereist artikel 111, §2 van de Basiswet dat in een dergelijk geval eerst de tuchtprocedure wordt opgestart. Pas na de tuchtprocedure kan geoordeeld worden of een BVM nog nodig is. De klachtencommissie is echter van oordeel dat het mogelijk is dat de directie in een dergelijke situatie een BVM oplegt, wanneer zij enkel tot doel heeft om preventief een gevaar voor de orde of de veiligheid aan te pakken. De beslissing tot het opleggen van een BVM moet deze keuze duidelijk motiveren.
De klachtencommissie is van oordeel dat de directie in haar beslissing heeft gemotiveerd waarom zij een BVM oplegt. De BVM is duidelijk genomen met een preventief oogmerk gelet op het ongepaste gedrag van klager. Voor de klachtencommissie is het duidelijk dat de directie ten aanzien van klager niet gehandeld heeft met een repressief of bestraffend oogmerk. Om deze redenen is de klacht ongegrond.
Wat betreft de ordemaatregel van 28/03/2024:
De directie besliste tot de tijdelijke (gedurende drie maanden) oplegging van glasbezoek t.a.v. een bezoekster van klager van 29/03/2024 t.e.m. 26/06/2024. De klachtencommissie acht deze beslissing niet onwettig, onredelijk of onbillijk. Zij wenst de directie wel te wijzen op het feit dat het
aangewezen is om in de ordemaatregel zelf de concrete rechtsgrond te vermelden op basis waarvan de beslissing wordt genomen, meer specifiek welke van de drie hierboven aangehaalde hypotheses uit artikel 59, § 1, derde lid van de Basiswet de directie toepast.
Op basis van de beschikbare informatie is het voor de klachtencommissie duidelijk dat in ieder geval minstens één van deze beschreven situaties van toepassing is, met name de volgende situatie: “wanneer de gedetineerde of de bezoeker niet-toegelaten voorwerpen in de gevangenis heeft
binnengebracht”. Na het ongestoord bezoek met bezoekster werd 90 gram hasj in de gevangenis gebracht. Klager en zijn bezoekster kennen de regels, aangezien het niet het eerste bezoek betrof. De klacht is om deze redenen ongegrond.