KC05/26-0210
Fondée
KC - Brugge
Commission des plaintes
Mesure provisoire
Mesure de sécurité particulière
VOORLOPIGE MAATREGEL - BIJZONDERE VEILIGHEIDSMAATREGEL - MOTIVERING
De klacht is ten eerste gericht tegen een voorlopige maatregel die werd opgelegd wegens een risico op suicide en het verstoren van de nachtrust. De klachtencommissie is van oordeel dat deze feiten geen ernstige en opzettelijke aantasting van de interne veiligheid inhielden, aangezien noch de fysieke integriteit van personen, noch de goede staat van goederen in gevaar kwam. De klachtencommissie wijst erop dat de voorlopige maatregel enkel genomen kan worden in het kader van een tuchtprocedure, hetgeen volgens de klachtencommissie nooit aan de orde was. De klacht is gegrond.
De klacht is ten tweede gericht tegen de bijzondere veiligheidsmaatregel van 12 juni 2026. Klager krijgt als bijzondere veiligheidsmaatregel de ontneming of onthouding van scherpe voorwerpen, de uitsluiting van deelname aan gemeenschappelijke activiteiten, de observatie overdag en ’s nachts om de 30 minuten, tenzij de directie anders beslist, het verplicht verblijf in de aan hem toegewezen verblijfsruimte en de mogelijkheid tot plaatsing in de veiligheidscel of naakte cel indien de directie het nodig acht opgelegd. De directie legt hiermee in feite alle mogelijke veiligheidsmaatregelen op zonder enige nuance en zonder te overwegen of deze noodzakelijk zijn. Nochtans vereist de Basiswet expliciet dat de maatregel evenredig moet zijn aan de bedreiging en van die aard moet zijn dat hij ze verhelpt. Dat vereist dat de directie motiveert waarom zij een bepaalde veiligheidsmaatregel noodzakelijk acht. De BVM beantwoordt niet aan de wettelijke voorwaarden. De klacht is gegrond.
De klacht is ten derde gericht tegen de bijzondere veiligheidsmaatregel van 17 juni 2026, de eerste verlenging van de BVM van 12 juni 2026. Ook in deze BVM worden álle mogelijke veiligheidsmaatregelen opgelegd zonder concrete motivering, zodat de klachtencommissie deze BVM onwettig acht op dezelfde gronden als de BVM van 12 juni 2026. De klacht is gegrond.
De klacht is ten eerste gericht tegen een voorlopige maatregel die werd opgelegd wegens een risico op suicide en het verstoren van de nachtrust. De klachtencommissie is van oordeel dat deze feiten geen ernstige en opzettelijke aantasting van de interne veiligheid inhielden, aangezien noch de fysieke integriteit van personen, noch de goede staat van goederen in gevaar kwam. De klachtencommissie wijst erop dat de voorlopige maatregel enkel genomen kan worden in het kader van een tuchtprocedure, hetgeen volgens de klachtencommissie nooit aan de orde was. De klacht is gegrond.
De klacht is ten tweede gericht tegen de bijzondere veiligheidsmaatregel van 12 juni 2026. Klager krijgt als bijzondere veiligheidsmaatregel de ontneming of onthouding van scherpe voorwerpen, de uitsluiting van deelname aan gemeenschappelijke activiteiten, de observatie overdag en ’s nachts om de 30 minuten, tenzij de directie anders beslist, het verplicht verblijf in de aan hem toegewezen verblijfsruimte en de mogelijkheid tot plaatsing in de veiligheidscel of naakte cel indien de directie het nodig acht opgelegd. De directie legt hiermee in feite alle mogelijke veiligheidsmaatregelen op zonder enige nuance en zonder te overwegen of deze noodzakelijk zijn. Nochtans vereist de Basiswet expliciet dat de maatregel evenredig moet zijn aan de bedreiging en van die aard moet zijn dat hij ze verhelpt. Dat vereist dat de directie motiveert waarom zij een bepaalde veiligheidsmaatregel noodzakelijk acht. De BVM beantwoordt niet aan de wettelijke voorwaarden. De klacht is gegrond.
De klacht is ten derde gericht tegen de bijzondere veiligheidsmaatregel van 17 juni 2026, de eerste verlenging van de BVM van 12 juni 2026. Ook in deze BVM worden álle mogelijke veiligheidsmaatregelen opgelegd zonder concrete motivering, zodat de klachtencommissie deze BVM onwettig acht op dezelfde gronden als de BVM van 12 juni 2026. De klacht is gegrond.