KC05/26-0206
Fondée
KC - Brugge
Commission des plaintes
Autre décision directeur
BEZOEK
De klacht is gericht tegen de weigering van de directie om een medegedetineerde te laten optreden als de getuige van klager voor zijn huwelijk in de gevangenis.
De klachtencommissie beschouwt de beslissing van de directeur om de medegedetineerde te weigeren als getuige bij het huwelijk van klager, als een weigering tot binnenhuisbezoek. Deze beslissing kadert binnen de interne rechtspositie. Bovendien hanteert de directie zelf één van de criteria van bezoek (nl. dat van het ‘achtenswaardig’ of gerechtvaardigd belang ) om klagers aanvraag te weigeren. De bestreden beslissing dient dus te worden beschouwd als een beslissing door de directeur ten aanzien van klager, die zijn interne rechtspositie raakt. De klacht is ontvankelijk.
De weigering vloeit volgens de directie voort uit de afwezigheid van een achtenswaardig belang. Klager brengt aan dat dit zijn beste vriend is maar tijdens zowel zijn als de detentie van de voorgestelde getuige, heeft de directie geen enkele indicatie die wijst op een vriendschap. Klager werd mondeling ingelicht van deze weigering.
De klachtencommissie meent dat het gegeven dat de directie tijdens de detentie van beide personen nooit eerder heeft vernomen dat ze vrienden zijn, niet betekent dat deze verhouding niet bestaat. Uit het dossier blijkt daarnaast niet dat klager op enig moment de kans heeft gekregen om aan te tonen dat het wél om een vriend gaat. Bovendien haalt de directie niet aan dat er, bijvoorbeeld, veiligheidsredenen of praktische/organisatorische overwegingen bestaan waardoor de aanwezigheid van de medegedetineerde als getuige van het huwelijk, niet mogelijk is.
De klachtencommissie besluit op basis van bovenstaande dat de directie haar weigeringsbeslissing onvoldoende heeft gemotiveerd en de beslissing in de gegeven omstandigheden, onredelijk is. De klachtencommissie wenst te benadrukken dat het recht op trouwen, verankerd in artikel 12 van het EVRM, een fundamenteel recht is, waardoor zij meent dat het huwelijk in de gevangenis het huwelijk in de vrije samenleving zo veel als mogelijk moet kunnen benaderen.
Om deze reden is de klacht gegrond. De klachtencommissie vernietigt de bestreden beslissing.
De klacht is gericht tegen de weigering van de directie om een medegedetineerde te laten optreden als de getuige van klager voor zijn huwelijk in de gevangenis.
De klachtencommissie beschouwt de beslissing van de directeur om de medegedetineerde te weigeren als getuige bij het huwelijk van klager, als een weigering tot binnenhuisbezoek. Deze beslissing kadert binnen de interne rechtspositie. Bovendien hanteert de directie zelf één van de criteria van bezoek (nl. dat van het ‘achtenswaardig’ of gerechtvaardigd belang ) om klagers aanvraag te weigeren. De bestreden beslissing dient dus te worden beschouwd als een beslissing door de directeur ten aanzien van klager, die zijn interne rechtspositie raakt. De klacht is ontvankelijk.
De weigering vloeit volgens de directie voort uit de afwezigheid van een achtenswaardig belang. Klager brengt aan dat dit zijn beste vriend is maar tijdens zowel zijn als de detentie van de voorgestelde getuige, heeft de directie geen enkele indicatie die wijst op een vriendschap. Klager werd mondeling ingelicht van deze weigering.
De klachtencommissie meent dat het gegeven dat de directie tijdens de detentie van beide personen nooit eerder heeft vernomen dat ze vrienden zijn, niet betekent dat deze verhouding niet bestaat. Uit het dossier blijkt daarnaast niet dat klager op enig moment de kans heeft gekregen om aan te tonen dat het wél om een vriend gaat. Bovendien haalt de directie niet aan dat er, bijvoorbeeld, veiligheidsredenen of praktische/organisatorische overwegingen bestaan waardoor de aanwezigheid van de medegedetineerde als getuige van het huwelijk, niet mogelijk is.
De klachtencommissie besluit op basis van bovenstaande dat de directie haar weigeringsbeslissing onvoldoende heeft gemotiveerd en de beslissing in de gegeven omstandigheden, onredelijk is. De klachtencommissie wenst te benadrukken dat het recht op trouwen, verankerd in artikel 12 van het EVRM, een fundamenteel recht is, waardoor zij meent dat het huwelijk in de gevangenis het huwelijk in de vrije samenleving zo veel als mogelijk moet kunnen benaderen.
Om deze reden is de klacht gegrond. De klachtencommissie vernietigt de bestreden beslissing.