Ga verder naar de inhoud

KC05/25-0375

Non fondée Fondée Irrecevable KC - Brugge Commission des plaintes Autre décision directeur Mesure provisoire Disciplinaire Pas de décision du directeur Mesure d'ordre
TUCHT - VOORLOPIGE MAATREGEL - ORDEMAATREGEL - ARBEID - CEL - UITVOERING

De klachtencommissie ziet geen redenen om te twijfelen aan het rapport van de directeur. De vaststellingen zijn duidelijk en het gaat wel degelijk om bedreigingen ten aanzien van een personeelslid en zijn familie. In zijn klacht voert klager ook geen elementen aan om te twijfelen aan deze vaststellingen.
Klager kon voor deze tuchtinbreuk maximaal 30 dagen ATV krijgen. Klager kreeg één week ATV wat de klachtencommissie overkomt als een wettige sanctie die in verhouding staat tot de feiten.
De klacht gericht tegen de tuchtbeslissing is ongegrond.

Gezien deze manier van uitvoering nog niet bepaald werd in de oorspronkelijke tuchtbeslissing is het dan ook niet duidelijk op welk moment dan ook de bestreden beslissing over de precieze wijze van de tenuitvoerlegging van de twee tuchtbeslissingen werd genomen en op welk moment klager hiervan kennis heeft gekregen. De klachtencommissie gaat er daarom van uit dat de klacht tijdig werd ingediend. De klacht is ontvankelijk.
De basiswet bevat geen uitdrukkelijke bepaling die regelt hoe op verschillende tijdstippen uitgesproken tuchtsancties die elkaar opvolgen of elkaar kunnen overlappen, moeten worden uitgevoerd. De Basiswet bevat alleen enkele verspreide regels over samenlopende feiten of tuchtsancties. Een coherent geheel van regels ontbreekt. Uit de verschillende bepalingen kan niettemin worden afgeleid dat de wetgever zich restrictief opstelt tegenover de mogelijkheid om tuchtsancties cumulatief toe te passen.
Zo kan de tuchtsanctie van ATV niet opgelegd worden samen met andere tuchtsancties.
De Basiswet voorziet dat een tuchtsanctie met uitstel kan worden opgelegd voor zover één van de voorwaarden is dat klager zich onthoudt van nieuwe tuchtrechtelijke inbreuken.
Geen wettelijke bepaling voorziet in een regeling van schorsing of uitstel van de tenuitvoerlegging van een eerder uitgesproken tuchtstraf (in deze zaak de tuchtstraf van drie weken individuele wandeling) omdat de uitvoering van deze tuchtstraf feitelijk zonder voorwerp is geworden door een later opgelegde tuchtstraf (in deze zaak de tuchtsanctie van een week ATV). Er is geen uitdrukkelijke wettelijke bepaling die schorsing of uitstel van de tenuitvoerlegging toelaat.
De klachtencommissie volgt dan ook het standpunt van de beroepscommissie dat vanuit het oogpunt van de rechtszekerheid het voor de tuchtrechtelijk bestrafte gedetineerde op basis van de tuchtbeslissing duidelijk moet zijn vanaf wanneer tot wanneer welke tuchtsanctie loopt. De wijze waarop tuchtsancties in de praktijk worden uitgesproken, beantwoordt hieraan. Tuchtsancties worden niet louter voor een bepaald aantal dagen opgelegd – zonder precisering van de periode waarin die sanctie zal worden uitgevoerd, zodat het de directie vrij staat nader te bepalen vanaf wanneer tot wanneer de sanctie zal lopen -, maar worden inderdaad opgelegd voor een welbepaalde periode. In het geval waarin het mogelijk is dat aan de gedetineerde een tweede tuchtsanctie wordt opgelegd die moet volgen op de uitvoering van een eerste tuchtsanctie, behoort het de directie bij de toemeting van de tweede tuchtsanctie rekening te houden met de uitvoering van die eerste tuchtsanctie en de toepassing in de tijd van de tweede tuchtsanctie nader te bepalen.
Op basis van de tuchtbeslissingen kon de klager in elk geval ervan uitgaan dat hem de gemeenschappelijke wandeling van 25/11/2025 tot en met 15/12/2025 werd ontzegd en dat hij in de hem toegewezen verblijfsruimte van 05/12/2025 tot 11/12/2025 werd afgezonderd. Voor de uitsluiting van de gemeenschappelijke wandeling in de week na 11/12/2025 2025 bood noch de eerste, noch de tweede tuchtbeslissing de nodige grondslag.
De klacht gericht tegen de tenuitvoerlegging is dan ook gegrond.

De klachtencommissie begrijpt dat gelet op het gedrag van klager zij het noodzakelijk vond om klager op een monocel te plaatsen. Klager geeft ook in zijn klacht niet aan of hij zijn verzoek om naar een andere cel te verhuizen al bij de directie aanbracht. Klager geeft ook zelf aan in zijn klacht dat een cel met drie à vier personen niet gaat voor hem. Gelet op de huidige context van overbevolking en waarbij men rekening dient te houden met de verstandhoudingen tussen gedetineerden acht de klachtencommissie het ook niet onredelijk dat klager nog niet verhuisd werd naar een duocel.
De klacht is ongegrond.

De klachtencommissie begrijpt dat klager gelet op de tuchtbeslissingen op korte termijn het vertrouwen van de directie geschonden heeft en op die manier niet onmiddellijk in aanmerking komt voor een vertrouwensfunctie. Het is niet zo dat de directie klager het werk weigert want hij komt nog steeds in aanmerking voor een job in de werkplaatsen.
De klachtencommissie ziet dan ook geen weigeringsbeslissing in hoofde van de directie om klager niet aan het werk te stellen. Klager staat op de wachtlijst en zal zijn beurt dienen af te wachten.
De klacht is niet-ontvankelijk.