VOORLOPIGE MAATREGEL - VERBODEN SUBSTANTIES - BEWIJS - VERMOEDEN VAN ONSCHULD
Op 4 november 2024 heeft de directie ten aanzien van klager een voorlopige maatregel tot een verplicht verblijf in de hem toegewezen verblijfsruimte genomen en dit wegens een ernstige en opzettelijke aantasting van de interne veiligheid.
De klachtencommissie vindt de bestreden beslissing onvoldoende gemotiveerd. In het RAD wordt beschreven hoe een “verdachte witte kristalvormige substantie in een plastiek bolletje” werd gevonden in de cel van klager en zijn celgenoot. In de voorlopige maatregel wordt vermeld dat het “eventueel gebruik van ongekende substanties kan leiden tot onvoorspelbaar gedrag en hierdoor de veiligheid van de instelling in het gedrang kan komen”. De klachtencommissie kan uit deze beslissing niet afleiden welke ernstige en opzettelijke aantasting van de interne veiligheid er bestond die het opleggen van een voorlopige maatregel ten aanzien van klager rechtvaardigde.. Zo wordt niet verduidelijkt welke individuele aanwijzingen er waren dat klager, nadat op de cel die hij deelde met een andere gedetineerde een verdachte substantie werd gevonden, nog in het bezit zou geweest zijn van andere verdachte of verboden substanties. Evenmin blijkt uit het RAD dat klager zich in een toestand bevond (bv. onder invloed zijn, agressief zijn …) waardoor er een ernstige en opzettelijke aantasting van de interne veiligheid was. Het loutere aantreffen van een verdachte substantie vormt op zichzelf geen dergelijke aantasting. De klacht is gegrond.
Op 4 november 2024 heeft de directie ten aanzien van klager een voorlopige maatregel tot een verplicht verblijf in de hem toegewezen verblijfsruimte genomen en dit wegens een ernstige en opzettelijke aantasting van de interne veiligheid.
De klachtencommissie vindt de bestreden beslissing onvoldoende gemotiveerd. In het RAD wordt beschreven hoe een “verdachte witte kristalvormige substantie in een plastiek bolletje” werd gevonden in de cel van klager en zijn celgenoot. In de voorlopige maatregel wordt vermeld dat het “eventueel gebruik van ongekende substanties kan leiden tot onvoorspelbaar gedrag en hierdoor de veiligheid van de instelling in het gedrang kan komen”. De klachtencommissie kan uit deze beslissing niet afleiden welke ernstige en opzettelijke aantasting van de interne veiligheid er bestond die het opleggen van een voorlopige maatregel ten aanzien van klager rechtvaardigde.. Zo wordt niet verduidelijkt welke individuele aanwijzingen er waren dat klager, nadat op de cel die hij deelde met een andere gedetineerde een verdachte substantie werd gevonden, nog in het bezit zou geweest zijn van andere verdachte of verboden substanties. Evenmin blijkt uit het RAD dat klager zich in een toestand bevond (bv. onder invloed zijn, agressief zijn …) waardoor er een ernstige en opzettelijke aantasting van de interne veiligheid was. Het loutere aantreffen van een verdachte substantie vormt op zichzelf geen dergelijke aantasting. De klacht is gegrond.