Ga verder naar de inhoud

KC05/24-0332

Fondée KC - Brugge Commission des plaintes Autre décision directeur
VOEDING - GEZONDHEID - MEDISCH - REDELIJKE TERMIJN

De klacht gaat over het verzuim van de directie van de gevangenis van Brugge tot het verstrekken aan klager van een aan zijn gezondheidstoestand aangepast dieet.

De klachtencommissie wijst erop dat de onderhavige klacht niet zozeer gericht is tegen een steevaste weigering van de directie om klager een aangepast (mediterraans) dieet aan te bieden, maar wel tegen een verzuim ten aanzien van klager om hem een dergelijk dieet aan te bieden, minstens om hierover een duidelijke beslissing te nemen binnen een wettelijke of redelijke termijn. Klager voert aan dat de directie al sinds 11 juli 2024 op de hoogte was van zijn vraag voor een mediterraans dieet, maar hij op het ogenblik van het indienen van zijn klacht en nog steeds op het ogenblik van zijn repliek op het verweer van de directie geen dergelijk dieet kreeg.

De klachtencommissie stelt vast dat er discussie bestaat tussen klager en de directie over het moment waarop de directie op de hoogte was van de vraag van klager voor een aangepast dieet in het licht van zijn gezondheidstoestand. Klager stelt in zijn initiële klacht dat dit zo was sinds zijn ontslag uit het Middelheimziekenhuis op 3 juli 2024. Hij zou dit immers onmiddellijk aan de medische dienst en aan beambten hebben gesignaleerd op 3 juli 2024. De klachtencommissie wijst erop dat uit het schrijven van dit ziekenhuis van 2 juli 2024 (stuk 6 uit de brief van 10 juli 2024, die als stuk 1 werd gevoegd bij de repliek van de advocaat van klager op het verweer van de directie; dit stuk werd op 10 juli 2024 tevens aan de directie bezorgd) inderdaad blijkt dat: “Dieet en levensstijladviezen werden meegegeven”. De klachtencommissie wijst verder op een (niet-gedateerd) attest van een gevangenisarts (stuk 2 van de repliek van de advocaat van klager op het verweer van de directie), dat deel uitmaakte van het dossier van de directie uit juli 2024 voor de strafuitvoeringsrechtbank in het kader van de procedure voor de voorlopige invrijheidstelling om medische redenen.

De directie stelde in haar verweer dat zij pas door de huidige klacht van klager (en dus pas sinds midden oktober 2024) ervan op de hoogte was dat hij dit al in juli 2024 gevraagd zou hebben en zij
hier door het medisch beroepsgeheim niet van op de hoogte was.De klachtencommissie kan niet voorbijgaan aan het feit dat klager in zijn verzoekschrift tot voorlopige invrijheidstelling om medische redenen reeds melding maakte van het feit dat hij beambten op 3 juli 2024 had gewezen op de noodzaak van een aangepast dieet. De klachtencommissie acht het voldoende aannemelijk gemaakt dat klager op 3 juli 2024 al aan de beambten had aangegeven dat hij, in het licht van zijn gezondheidstoestand, een aangepast dieet nodig had. Daarnaast blijkt uit het bovenvermelde attest van de gevangenisarts – dat deel uitmaakte van het dossier van de directeur in het kader van de procedure tot voorlopige invrijheidstelling om medische redenen van juli 2024 – dat de detentie van klager door deze gevangenisarts verenigbaar werd geacht voor zover het dieet zoals voorgeschreven door de cardioloog wordt gevolgd.

De klachtencommissie acht het zodoende aannemelijk gemaakt dat klager, in de periode tussen 3 juli 2024 en 11 juli 2024, meermaals voldoende duidelijk zijn wens had geuit om een aangepast dieet in het licht van zijn gezondheidstoestand te krijgen. Gelet op de o.a. de vermelding van de noodzaak van dit dieet in het dossier van de directeur voor de strafuitvoeringsrechtbank, was de directie hiervan sinds diezelfde periode onmiskenbaar van op de hoogte, minstens had zij dit, gelet op alle omstandigheden, moeten zijn. Klager heeft minstens tot 7 november 2024 (datum waarop zijn advocaat de repliek op het verweer van de directeur bezorgde) geen aan zijn gezondheidstoestand aangepast dieet gekregen, noch was hij op de hoogte van een gemotiveerde beslissing waarbij dit zou geweigerd zijn. Dit betreft naar het oordeel van de klachtencommissie een beklagwaardig verzuim om een beslissing te nemen binnen een redelijke termijn. De klacht werd daarnaast tijdig ingediend, op de vereiste wijze en werd voldoende gemotiveerd. De klacht is ontvankelijk.

De klachtencommissie kan niet voorbijgaan aan het hierboven reeds vermelde stuk, waarbij een gevangenisarts in het kader van een procedure tot voorlopige invrijheidstelling om medische
redenen voor de strafuitvoeringsrechter het volgende heeft geattesteerd:
“Indien de patiënt zijn medicatie correct krijg, zijn dieet zoals voorgeschreven door de cardioloog, zijn vervolgconsulten zoals ingepland en een niet rokercel zoals eveneens
voorgeschreven, kan hij hier verder zijn straf uitzitten” (eigen markering).

De klachtencommissie kan niet oordelen over de verenigbaarheid van klagers detentie met zijn gezondheidstoestand. Deze beoordeling komt uitsluitend toe aan de strafuitvoeringsrechter. Uit de
stukken van deze procedure blijkt echter wel dat het standpunt van de inrichtingsarts op dat ogenblik al was dat klagers detentie verenigbaar was met zijn gezondheidstoestand, in zoverre hij een dieet
kreeg zoals voorgeschreven door de cardioloog. Waarom de directie, zoals zij vermeldde in haar verweer, in oktober 2024 dan nog zou moeten wachten op een advies van de medische dienst over klagers (gezondheids)situatie en de vereiste van een aangepast dieet, is onduidelijk voor de klachtencommissie. Het standpunt van de medische dienst was immers, zoals blijkt uit het bovenstaande, reeds gekend.Dat klager dus tot op het ogenblik van het indienen van zijn klacht geen aangepast (mediterraans) dieet kreeg, is in strijd met artikel 42 Basiswet. De klacht is gegrond.
De klachtencommissie stelt haar beslissing in de plaats en draagt de directie op om, in zoverre dit inmiddels nog niet zou gebeurd zijn, klager het dieet te verstrekken dat aangepast in aan zijn gezondheidstoestand.