KC05/24-0319
Non fondée
Fondée
KC - Brugge
Commission des plaintes
Mesure provisoire
Disciplinaire
Mesure d'ordre
ORDEMAATREGEL - REGIMEMUTATIE - VOORLOPIGE MAATREGEL - VERBODEN SUBSTANTIES - MOTIVERING - TUCHT
De eerste klacht gaat over de beslissing van 30 september 2024 van de directie van de gevangenis van Brugge waarbij aan klager een voorlopige maatregel werd opgelegd.
De tweede klacht gaat over de beslissing van 3 oktober 2024 van de directie van de gevangenis van Brugge waarbij aan klager een tuchtsanctie werd opgelegd.
De derde klacht gaat over de beslissing van 3 oktober 2024 van de directie van de gevangenis van Brugge waarbij klager via ordemaatregel intern werd gemuteerd van de Drugvrije Afdeling (DVA)
naar een gesloten sectie.
Over de eerste klacht (de voorlopige maatregel):
De directie heeft op 30 september 2024 een voorlopige maatregel tot verplicht verblijf in de toegewezen verblijfsruimte opgelegd ten aanzien van klager. In deze beslissing werd aangekruist dat er een ernstige en opzettelijke aantasting van de interne veiligheid bestond, wat werd gemotiveerd als volgt: “In het bezit van verboden substanties op cel”.
De klachtencommissie vindt de bestreden voorlopige maatregel onvoldoende gemotiveerd. In de beslissing wordt louter vermeld dat klager in het bezit was van verboden substanties op cel. In de
beslissing wordt niet vermeld waarom de fysieke integriteit van bepaalde personen gevrijwaard diende te worden of waarom bepaalde roerende of onroerende goederen het gevaar liepen van
wederrechtelijke beschadiging, vernieling of ontvreemding. Gelet op het ingrijpende karakter van een voorlopige maatregel op de detentiesituatie van een gedetineerde, moet het bovenvermelde
nadrukkelijk worden gemotiveerd. De situatie “in het bezit van verboden substanties op cel” impliceert niet automatisch een ernstige en opzettelijke aantasting van de interne veiligheid. De eerste klacht is om deze reden gegrond.
Over de tweede klacht (de tuchtbeslissing):
In het dossier zit een RAD van 30 september 2024 (feiten van 20u15), op basis waarvan een tuchtprocedure ten aanzien van klager werd opgestart. In het RAD wordt vermeld dat klager naar de
beambten is gegaan om twee glazen flesjes af te geven, nadat hij een gesprek had gehad met een beambte. Hij verklaarde dat hij bedreigd werd door een medegedetineerde om dit te doen. In het dossier zitten verder nog enkele meldingsverslagen van 30 september 2024, waaruit blijkt welk onderzoek de beambten in de loop van die dag al gedaan hadden nadat er een melding was gebeurd
dat er op een bepaalde plek anabolen verstopt lagen. Het door de advocate op de zitting vermelde meldingsverslag zit niet in het tuchtdossier, maar zij legde hier evenmin een kopie van voor. In het
dossier zit wel nog een brief van klager aan de directie, waarin hij o.a. stelt dat hij het snapt als hij ATV zou krijgen, maar hij graag op de DVA zou blijven.
Klager werd gehoord over dit RAD op de tuchtzitting van 3 oktober 2024, met bijstand van een advocaat. Op deze zitting werd verwezen naar de meldingsverslagen. Klager vermeldde ook dat hij
bedreigd werd door medegedetineerden. In de tuchtbeslissing werd uiteindelijk één tuchtinbreuk van eerste categorie aangekruist, zijnde het bezit van of de handel in door of krachtens de wet
verboden voorwerpen of substanties. Klager werd gesanctioneerd met vijftien dagen ATV.
De klachtencommissie wijst erop dat de tuchtbeslissing summier, maar net voldoende gemotiveerd werd. In de tuchtbeslissing wordt verwezen naar het feit dat klager in het bezit was van een verdachte/verboden substantie (anabolen) en hij de feiten toegeeft. Uit de beschikbare informatie van het tuchtdossier en deze beklagprocedure, blijkt inderdaad dat er geen betwisting bestaat over het feit dat klager in het bezit was van anabolen. Door het delicate karakter van dit dossier heeft de directeur bewust niet alles wat gezegd geweest is, opgenomen in het verslag van de tuchtzitting en werd ook de tuchtbeslissing niet zo uitgebreid gemotiveerd als mogelijk was geweest. De enige betwisting die bestaat, betreft de spontaneïteit van de overhandiging door klager van de bedoelde anabolen.
De klachtencommissie is van oordeel dat de directeur redelijkerwijs kon aannemen dat deze overhandiging niet volledig spontaan is gebeurd en op een eerder moment had kunnen gebeuren.
De directie stelt in haar verweer in het kader van deze beklagprocedure nog dat zij het verhaal van klager – behoudens de spontaneïteit van de overhandiging van de substanties – wel degelijk gelooft.
Zij stelt dit ook in aanmerking te hebben genomen in de tuchtbeslissing, wat zou blijken uit de sanctie. Klager kreeg vijftien dagen ATV en geen dertig dagen ATV, hoewel het om harddrugs gaat.
De klachtencommissie wijst erop dat de tuchtbeslissing uitgebreider, desnoods gebruik makend van beschrijvingen in abstractere termen (bv. voor wat betreft de aanname van de verzachtende
omstandigheden), wenselijk was geweest. Zo was het voor klager duidelijk(er) geweest dat de directie (deels) rekening had gehouden met wat hij had gezegd voorafgaand aan en op de
tuchtzitting. Gelet op de bijzondere omstandigheden van dit dossier, acht de klachtencommissie de bestreden beslissing echter niet onwettig, onredelijk of onbillijk. De tweede klacht is niet gegrond.
Over de derde klacht (de verwijdering van de DVA):
Op 3 oktober 2024 werd er ten aanzien van klager een ordemaatregel tot mutatie van de DVA naar een gesloten sectie opgesteld. Deze ordemaatregel luidt als volgt:
“Gelet betrokkene een tuchtsanctie kreeg wegens het bezit van verdachte substantie. Gelet betrokkene verblijft op een opendeurregime. Hierbij werd een duidelijke contractbreuk vastgesteld”.
De klachtencommissie wijst er aan de ene kant op dat zij niet in het bezit werd gesteld van een kopie van het door klager ondertekende DVA-contract. Aan de andere kant betwist klager niet dat hij in
het bezit was van verboden substanties (zie ook hoger; de tweede klacht). De ordemaatregel is summier gemotiveerd, maar maakt wel melding van de contractbreuk die door klager werd gepleegd
(het in bezit zijn van verboden substanties op de DVA). Dat de directie klager niet langer geschikt achtte voor een verblijf op de DVA en hem heeft gemuteerd naar een gesloten sectie, valt binnen
haar discretionaire bevoegdheid. De bestreden beslissing is niet onwettig, onredelijk of onbillijk. De derde klacht is niet gegrond.
De eerste klacht gaat over de beslissing van 30 september 2024 van de directie van de gevangenis van Brugge waarbij aan klager een voorlopige maatregel werd opgelegd.
De tweede klacht gaat over de beslissing van 3 oktober 2024 van de directie van de gevangenis van Brugge waarbij aan klager een tuchtsanctie werd opgelegd.
De derde klacht gaat over de beslissing van 3 oktober 2024 van de directie van de gevangenis van Brugge waarbij klager via ordemaatregel intern werd gemuteerd van de Drugvrije Afdeling (DVA)
naar een gesloten sectie.
Over de eerste klacht (de voorlopige maatregel):
De directie heeft op 30 september 2024 een voorlopige maatregel tot verplicht verblijf in de toegewezen verblijfsruimte opgelegd ten aanzien van klager. In deze beslissing werd aangekruist dat er een ernstige en opzettelijke aantasting van de interne veiligheid bestond, wat werd gemotiveerd als volgt: “In het bezit van verboden substanties op cel”.
De klachtencommissie vindt de bestreden voorlopige maatregel onvoldoende gemotiveerd. In de beslissing wordt louter vermeld dat klager in het bezit was van verboden substanties op cel. In de
beslissing wordt niet vermeld waarom de fysieke integriteit van bepaalde personen gevrijwaard diende te worden of waarom bepaalde roerende of onroerende goederen het gevaar liepen van
wederrechtelijke beschadiging, vernieling of ontvreemding. Gelet op het ingrijpende karakter van een voorlopige maatregel op de detentiesituatie van een gedetineerde, moet het bovenvermelde
nadrukkelijk worden gemotiveerd. De situatie “in het bezit van verboden substanties op cel” impliceert niet automatisch een ernstige en opzettelijke aantasting van de interne veiligheid. De eerste klacht is om deze reden gegrond.
Over de tweede klacht (de tuchtbeslissing):
In het dossier zit een RAD van 30 september 2024 (feiten van 20u15), op basis waarvan een tuchtprocedure ten aanzien van klager werd opgestart. In het RAD wordt vermeld dat klager naar de
beambten is gegaan om twee glazen flesjes af te geven, nadat hij een gesprek had gehad met een beambte. Hij verklaarde dat hij bedreigd werd door een medegedetineerde om dit te doen. In het dossier zitten verder nog enkele meldingsverslagen van 30 september 2024, waaruit blijkt welk onderzoek de beambten in de loop van die dag al gedaan hadden nadat er een melding was gebeurd
dat er op een bepaalde plek anabolen verstopt lagen. Het door de advocate op de zitting vermelde meldingsverslag zit niet in het tuchtdossier, maar zij legde hier evenmin een kopie van voor. In het
dossier zit wel nog een brief van klager aan de directie, waarin hij o.a. stelt dat hij het snapt als hij ATV zou krijgen, maar hij graag op de DVA zou blijven.
Klager werd gehoord over dit RAD op de tuchtzitting van 3 oktober 2024, met bijstand van een advocaat. Op deze zitting werd verwezen naar de meldingsverslagen. Klager vermeldde ook dat hij
bedreigd werd door medegedetineerden. In de tuchtbeslissing werd uiteindelijk één tuchtinbreuk van eerste categorie aangekruist, zijnde het bezit van of de handel in door of krachtens de wet
verboden voorwerpen of substanties. Klager werd gesanctioneerd met vijftien dagen ATV.
De klachtencommissie wijst erop dat de tuchtbeslissing summier, maar net voldoende gemotiveerd werd. In de tuchtbeslissing wordt verwezen naar het feit dat klager in het bezit was van een verdachte/verboden substantie (anabolen) en hij de feiten toegeeft. Uit de beschikbare informatie van het tuchtdossier en deze beklagprocedure, blijkt inderdaad dat er geen betwisting bestaat over het feit dat klager in het bezit was van anabolen. Door het delicate karakter van dit dossier heeft de directeur bewust niet alles wat gezegd geweest is, opgenomen in het verslag van de tuchtzitting en werd ook de tuchtbeslissing niet zo uitgebreid gemotiveerd als mogelijk was geweest. De enige betwisting die bestaat, betreft de spontaneïteit van de overhandiging door klager van de bedoelde anabolen.
De klachtencommissie is van oordeel dat de directeur redelijkerwijs kon aannemen dat deze overhandiging niet volledig spontaan is gebeurd en op een eerder moment had kunnen gebeuren.
De directie stelt in haar verweer in het kader van deze beklagprocedure nog dat zij het verhaal van klager – behoudens de spontaneïteit van de overhandiging van de substanties – wel degelijk gelooft.
Zij stelt dit ook in aanmerking te hebben genomen in de tuchtbeslissing, wat zou blijken uit de sanctie. Klager kreeg vijftien dagen ATV en geen dertig dagen ATV, hoewel het om harddrugs gaat.
De klachtencommissie wijst erop dat de tuchtbeslissing uitgebreider, desnoods gebruik makend van beschrijvingen in abstractere termen (bv. voor wat betreft de aanname van de verzachtende
omstandigheden), wenselijk was geweest. Zo was het voor klager duidelijk(er) geweest dat de directie (deels) rekening had gehouden met wat hij had gezegd voorafgaand aan en op de
tuchtzitting. Gelet op de bijzondere omstandigheden van dit dossier, acht de klachtencommissie de bestreden beslissing echter niet onwettig, onredelijk of onbillijk. De tweede klacht is niet gegrond.
Over de derde klacht (de verwijdering van de DVA):
Op 3 oktober 2024 werd er ten aanzien van klager een ordemaatregel tot mutatie van de DVA naar een gesloten sectie opgesteld. Deze ordemaatregel luidt als volgt:
“Gelet betrokkene een tuchtsanctie kreeg wegens het bezit van verdachte substantie. Gelet betrokkene verblijft op een opendeurregime. Hierbij werd een duidelijke contractbreuk vastgesteld”.
De klachtencommissie wijst er aan de ene kant op dat zij niet in het bezit werd gesteld van een kopie van het door klager ondertekende DVA-contract. Aan de andere kant betwist klager niet dat hij in
het bezit was van verboden substanties (zie ook hoger; de tweede klacht). De ordemaatregel is summier gemotiveerd, maar maakt wel melding van de contractbreuk die door klager werd gepleegd
(het in bezit zijn van verboden substanties op de DVA). Dat de directie klager niet langer geschikt achtte voor een verblijf op de DVA en hem heeft gemuteerd naar een gesloten sectie, valt binnen
haar discretionaire bevoegdheid. De bestreden beslissing is niet onwettig, onredelijk of onbillijk. De derde klacht is niet gegrond.