Ga verder naar de inhoud

KC05/24-0316

Non fondée Irrecevable KC - Brugge Commission des plaintes Mesure provisoire Disciplinaire Pas de décision du directeur
GEEN BESLISSING DIRECTEUR - BEVOEGDHEID - MEDISCH - VOORLOPIGE MAATREGEL - BEVEILIGDE CEL - TUCHT - STRAFCEL

De eerste klacht gaat over de beslissing van 24 september 2024 van de directie van de gevangenis van Brugge waarbij aan klager een voorlopige maatregel werd opgelegd. De tweede klacht gaat over de beslissing van 27 september 2024 van de directie van de gevangenis van Brugge waarbij aan klager een tuchtsanctie werd opgelegd. De derde klacht gaat over het feit dat klager tijdens de uitvoering van de voorlopige maatregel niet
op toereikende wijze medisch werd opgevolgd.

Over de eerste klacht (de voorlopige maatregel):
De directie heeft op 24 september 2024 een voorlopige maatregel tot plaatsing op de beveiligde celgenomen ten aanzien van klager. In deze beslissing werd aangekruist dat er een ernstige en opzettelijke aantasting van de interne veiligheid bestond. De klachtencommissie wijst erop dat de voorlopige maatregel summier, maar net voldoende werd gemotiveerd. De klachtencommissie kan begrijpen waarom de directie meende dat de vechtpartij tussen klager en de celgenoot beschouwd moest worden als een ernstige en opzettelijke aantasting van de interne veiligheid. De directie stelde ook nog dat er een risico bestond dat de situatie tussen beide gedetineerden zou escaleren. De klachtencommissie wijst erop dat beter ook concreet gemotiveerd was geweest waaruit zij afleidde dat dit risico (nog) bestond en waarom een plaatsing op de beveiligde cel, als meest verregaande voorlopige maatregel, de enige oplossing was om dit risico tegen te gaan. De eerste klacht is niet gegrond.

Over de tweede klacht (de tuchtbeslissing):
Klager werd, zoals uit het RAD blijkt, onder voorlopige maatregel geplaatst (zie ook de eerste klacht). Hij werd gehoord over deze feiten op de tuchtzitting van 27 september 2024, met bijstand van zijn advocaat. n de bestreden beslissing werd uiteindelijk één tuchtinbreuk van eerste categorie aangekruist, zijnde de opzettelijke aantasting van de fysieke integriteit van personen, of de bedreiging daarmee. Klager kreeg als sanctie drie dagen strafcel (zijnde de dagen die hij onder voorlopige maatregel stond en nog enkele uren na de tuchtzitting).

De klachtencommissie vindt de bestreden beslissing niet onwettig, onredelijk of onbillijk. Zo heeft de directie voldoende zorgvuldig aan feitenvinding gedaan. Hoewel meer onderzoek naar de aanleiding van de feiten nuttig was geweest (bv. of klager al dan niet meldingen had gedaan bijbeambten over het gedrag van zijn celgenoot en wat naar aanleiding van deze meldingen al dan niet ondernomen werd), blijkt uit het RAD onmiskenbaar dat zowel klager als zijn celgenoot fysiek geweld hebben gebruikt ten aanzien van elkaar. Dit geweld is begonnen toen de beambten de celdeur openden (“Bij het openen van de celdeur was [klager] niet voor rede vatbaar en begonnen [klager] en diens celgenoot elkaar tegen de celmuur en de kast te duwen”). Door klager schuldig te achten aan en te sanctioneren met drie dagen strafcel voor de opzettelijke aantasting van de fysieke integriteit van personen, of de bedreiging daarmee, is de directie de haar toekomende discretionaire bevoegdheid niet te buiten gegaan. Daarnaast wierp de advocaat van klager op de tuchtzitting op dat de beambte ‘misschien’ nog eens
opgeroepen moest worden. Uit de tuchtbeslissing blijkt dat de directie de beambte effectief nogmaals heeft bevraagd en deze beambte de vaststellingen uit het RAD heeft bevestigd. Dit werd zo opgenomen in de motivering van de tuchtbeslissing. Ook op dit vlak heeft de directie aan zorgvuldige feitenvinding gedaan. De tweede klacht is niet gegrond.

Over de derde klacht (ontoereikende medische opvolging):
De directie bevestigde op de zitting van de klachtencommissie dat klager tijdens zijn onderbrenging in de beveiligde cel dagelijks gezien werd door de directeur en een arts. De advocate van klager sprak dit niet tegen op de zitting van de klachtencommissie. Klager werd dus wel degelijk opgevolgd door de directeur en een adviserende arts, maar beklaagt zich specifiek over het feit dat zijn medische opvolging ontoereikend was, in de zin dat een breuk in zijn knokkel niet zou opgemerkt zijn. Dit betreft een inhoudelijke medische beoordeling van de arts en/of medische dienst en geen beslissing die door of namens de directeur ten aanzien van klager genomen werd, noch een verzuim of weigering om een beslissing te nemen. De derde klacht is niet ontvankelijk.