KC05/24-0123
Non fondée
Fondée
KC - Brugge
Commission des plaintes
Disciplinaire
Mesure d'ordre
TUCHT – KWALIFICATIE INBREUK – ONTSLAG
Klager heeft twee klachten ingediend.
De eerste klacht is gericht tegen een tuchtsanctie van één week ATV wegens één tuchtinbreuk van eerste categorie, zijnde de wederrechtelijke ontvreemding van goederen en één tuchtinbreuk van tweede categorie, zijnde het niet-naleven van de door het huishoudelijk reglement voorgeschreven bepalingen. Klager werd ervan beschuldigd tabak te hebben doorgegeven aan een gedetineerde. Het is de klachtencommissie volstrekt onduidelijk waarom klager schuldig zou zijn aan de tuchtinbreuk van eerste categorie. De eerste klacht is ontvankelijk en gegrond.
De tweede klacht is gericht tegen een ordemaatregel waarbij klager werd afgezet van zijn werk. Uit de ordemaatregel blijkt duidelijk waarom de directie de door klager gestelde gedragingen (het doorgeven van tabak) niet verenigbaar vond met de door hem uitgeoefende vertrouwensfunctie. Het valt binnen de discretionaire bevoegdheid van de directie om op basis van deze feiten de vertrouwensband geschonden te achten en een verdere samenwerking met klager in diens functie als fatik van het medisch centrum als onmogelijk te beschouwen. De tweede klacht is ontvankelijk, maar niet gegrond.
Klager heeft twee klachten ingediend.
De eerste klacht is gericht tegen een tuchtsanctie van één week ATV wegens één tuchtinbreuk van eerste categorie, zijnde de wederrechtelijke ontvreemding van goederen en één tuchtinbreuk van tweede categorie, zijnde het niet-naleven van de door het huishoudelijk reglement voorgeschreven bepalingen. Klager werd ervan beschuldigd tabak te hebben doorgegeven aan een gedetineerde. Het is de klachtencommissie volstrekt onduidelijk waarom klager schuldig zou zijn aan de tuchtinbreuk van eerste categorie. De eerste klacht is ontvankelijk en gegrond.
De tweede klacht is gericht tegen een ordemaatregel waarbij klager werd afgezet van zijn werk. Uit de ordemaatregel blijkt duidelijk waarom de directie de door klager gestelde gedragingen (het doorgeven van tabak) niet verenigbaar vond met de door hem uitgeoefende vertrouwensfunctie. Het valt binnen de discretionaire bevoegdheid van de directie om op basis van deze feiten de vertrouwensband geschonden te achten en een verdere samenwerking met klager in diens functie als fatik van het medisch centrum als onmogelijk te beschouwen. De tweede klacht is ontvankelijk, maar niet gegrond.